Archive for the ‘Taal’ Category

Het Balinese kalendersysteem.

De westerse kalender is gebaseerd op de omlooptijd van de aarde rond de zon, afgerond 365 dagen. In sommige oosterse landen gebruikt men een maankalender die rekent met de rotatietijd van de maan rond de aarde (29 dagen, 12 uur en 44 minuten). Doe dat maal twaalf en je hebt een jaar volgens de lunaire kalender.

Bali zou Bali niet zijn mochten het hier niet anders toegaan. Men hanteert het Wuku systeem, met een week (7 dagen) als basis. Er zijn 30 weken in een cyclus (oton) en twee otons in een jaar. Een oton is dus 210 dagen en een Balinees jaar 420 dagen. Onwillekeurig moet ik bij het horen van die terminologie aan Star Trek en de Klingons denken vaak waan je je hier ook op een andere planeet.

De Balinese kalender wordt vooral gebruikt voor religieuze doeleinden. De priesters bepalen aan de hand ervan de meest geschikte dag voor een bepaalde ceremonie of handeling.

Omgerekend naar de zonnekalender vind u hierna een overzicht van de meest geschikte dagen in april 2009 voor het uitvoeren van een bepaalde taak. We zijn uit België vertrokken op 20 april, toegekomen op 21 april en aan de slag gegaan op 22 april. Hopelijk gelden de regels niet alleen voor het bouwen van een huis maar ook voor boutique hotels en private villas.  Zo toch even checken wat de beste dag is om in juni in Ubud naar de kapper te gaan.

een dier castreren 1/3/25/29
rijst naar de schuur brengen 1/8/12/19/20/21/28/30
haar knippen 1/8/21
offeren voor een goede rijstoogst 3
een aanzoek doen bij een meisje 3/7/11/17
een visvijver graven 3/9/21
rijst aanplanten 3/10/29
vee temmen 3/16/23/27
nieuwe rechtsregels opstellen 6/10/25
fundering van een huis maken 6/21/23/24
jezelf zuiveren 6/22
een waterput graven 8/9/21
een ‘kulkul’ (traditionele bel) maken 9
een visfuik maken 9/11/17/29
een omheining maken 10/13/23/26
een dam maken 11
een fruitboom planten 11/12/30
op jacht gaan 11/27/30
stenen bakken 13
een bedrijf starten 13/20/22/26
leren dansen 18
iets nieuws leren 23/24
een bijenkorf maken 26
een dak op het huis zetten x
trouwen x

Leenwoorden

Coklat Meises (Muisjes of Hagelslag), gekocht in de Bintang Supermarkt in Ubud, Bali.Bahasa Indonesia, ook wel Indonesisch Maleis genoemd, is de officiële taal van Indonesië. In deze taal zijn veel Nederlandse leenwoorden binnengeslopen door de jarenlange Nederlandse kolonisatie. Op vakantie in de Gordel van Smaragd kom je haast dagelijks voorbeelden hiervan tegen.
Leenwoorden zijn woorden uit een andere taal. In het Indonesisch Maleis kent men het woord botol, wat fles betekent. Het komt van het Engelse woord ‘bottle’. Veel uit het Nederlands afkomstige woorden worden anders gespeld. Het gebeurt in het Indonesisch ook vaak dat de p- en f-klanken verwisseld worden. Wanneer mijn schoonmoeder me vroeg ‘planissak’ mee te brengen uit de supermarkt wist ik na enkele jaren dat ze daarmee ‘vuilniszak’ bedoelde. Dat was wel een moeilijke, dat geef ik toe.

Over het algemeen kan je rustig stellen dat de Indonesische leenwoorden precies uitgesproken worden zoals ze worden geschreven. De “u” wordt als “oe” uitgesproken, de “c” wordt als “tsj” uitgesproken.

Het zit dus allemaal erg logisch in elkaar. Terwijl je in het Engels zou kunnen twijfelen tussen bijvoorbeeld ‘accommodation”  en “accomodation” zou men dat woord in het Bahasa Indonesia gewoon schrijven als “akomodation”.

De foto hierbij illustreert het bovenstaande.
‘Coklat meises’ zijn ‘chocolade muisjes’; chocolade hagelslag dus.
Bovendien betekent ‘coklat’ ook ‘bruin’. Handig nietwaar?

Hierna een aantal Nederlandse leenwoorden.
Weet u wat ze betekenen? Zonder te googelen, dat spreekt vanzelf.

Hou rekening met de uitspraaksuggesties en lees het woord eens hardop, dan wordt vaak veel duidelijk.
Bij een volgende gelegenheid geef ik de vertaling.

Er zit voor iedereen een onderscheiding in!

aspal resi sekolah ercis saos
lem buncis semen kakus losmen
detektip arloji korslet amplop sen
es duit handuk panci kopi
karcis klab kuas seprei insinyur
bistik bir peci perangko maret

Dirk vanuit Villa Sabandari, a small hotel near the

rice fields

in

Ubud, Bali

MacD

Weinig mensen haten winkelen meer dan ik. Dat is althans mijn vaste overtuiging. We moesten naar Denpasar, de grote stad, voor aankopen  allerhande.
De straten hebben hier wel namen, maar de nummering laat wel eens te wensen over. Het nummer 4 van ons huis bijvoorbeeld, is door de vorige eigenaar zelf gekozen, net zoals het huisnummer van zijn restaurant in Ubud op Jalan Bisma 9X.
Zijn overbuur in Jalan Bisma heeft nummer 324 of iets dergelijks en zijn  directe buur iets in de 50. Knappe postbode die daar wijs uit raakt. Het is hier meer een kwestie van ons-kent-ons.
Die postbode moet weten wie je bent, doordat hij even een praatje heeft gemaakt, of een glaasje water bij je heeft gedronken, en dan rijdt hij de volgende keer linea recta van het postkantoor naar je huis. Dat was vroeger toch ook zo met namen van personen? Je heette niet Louisa Verschueren maar Wiske van lange Jef van achter de Molen. Of zo iets. Die X in Jalan Bisma X heeft me trouwens op het idee gebracht om, bij het aanvragen van een postbus in Ubud, te kiezen voor Postbus X. Dat lijkt me leuk staan op ons briefhoofd en het is bovendien makkelijk te onthouden.
Far from Ubud and the rice field, the luxury of a Mac D in DenpasarMaar we gingen dus winkelen in Denpasar.

Luxury hotel Ubud in rice field

Na een tijdje begonnen we toch honger te krijgen. Gelukkig een bordje ‘McDonald’s 200m -pijltje naar rechts-’. Precies op die plek moesten we zijn voor een Electrolux wasmachine. Terwijl de chauffeur de auto parkeerde vroeg ik, in mijn vloeiend Bahasa Indonesia aan de parkeerwachter waar de Mac was: ‘Pak, di mana Mc Donald’s?’ De man bekeek me of ik van Mars kwam. Hij herhaalde een paar keer mijn, nochtans duidelijk gearticuleerde en traag uitgesproken vraag. Een beetje vertwijfeld sprak hij een jonge vrouw aan die voorbijkwam en loodste haar naar me toe. Ik herhaalde mijn vraag . Na een korte aarzeling riep ze uit: “oh! Makdon’aaald!!!’ . Klemtoon op de laatste lettergreep en met een lang uitgehaalde ‘aaaaaa’. Het mannetje herhaalde dat ook een aantal keer en bekeek met met een licht verwijtende blik. ‘Had dat dan gelijk gezegd! Makdon’aaald, maar natuurlijk dat is daar!!! Die toeristen kunnen niet eens de meest elementaire dingen correct uitspreken! Kasiaaan.’
Ik had ooit een gelijkaardige ervaring in Shanghai waar ik voor zaken logeerde in het Portman Ritz-Carlton Hotel. Door schade en schande heb ik daar geleerd dat je niks opschiet met het correct uitspreken van die naam. Zeg gewoon  op z’n Vlaams ‘Potteman’ en ze brengen je via de korste weg naar het hotel. Ze horen namelijk aan je accent dat je al jaren in China woont. De chauffeur begint dan ook gelijk een lange uiteenzetting in een ratelend Shanghainees. Gewoon af en toe instemmend ‘hmm’ mompelen en bij vragende zinnen even kort en hard lachen en neen knikken helpt dan.
Het is uiteindelijk nog Kentucky Fried Chicken geworden in Denpasar.
Vraag me niet hoe je dat uitspreekt.

Unique luxury surround sound inbegrepen…

I Made Swastika

Bang voor een swastika in Ubud op Bali?

Zou U in een taxi stappen wanneer de chauffeur trots een visitekaartje had gegeven waarop stond: ‘I Made Swastika” – English speaking driver”?
Op Bali, gewoon doen. Waarom?
Dat is een enigszins ingewikkeld verhaal. Hier komt het.

‘I’ schrijf je in Bali voor de naam van een man, ‘Ni’ voor de naam van een vrouw.
Waarom deze aanduiding?
Omdat mannen en vrouwen dezelfde voornamen hebben en de ‘I’ en ‘Ni’ aangeven of het om een vrouw dan wel een man gaat.
Tot hiertoe is het simpel nietwaar?
‘I Made’ is dus een man of jongen die ‘Made’ (spreek uit ma-dé) heet.

Zoals in India heb je ook hier een kastensysteem.
Er zijn 4 kasten, waarvan je de leden kunt herkennen aan hun naam:

de Brahmana, priesters

  • Ida Bagus of Bagus (de goede) voor een man
  • Ida Ayu of Dayu (de mooie) voor een vrouw

de Ksatria, vorsten en krijgers

  • Anak Agung, Agung, Dewa voor een man
  • Anak Agung, Agung, Dewi, Dewayu voor een vrouw
  • Cokorda, Dewa Agung voor leden van het koningshuis

deze kaste heeft vaak de volgende tweede namen:

- Raka – oudere zus of broer
– Oka – kind
– Rai – jongere zuster of broer
– Anom – jonge vrouw
– Ngurah – een aanduiding van gezag

de Wesia, kooplieden en ambtenaren

  • Gusti – heer, voor mannen en vrouwen
  • Dewa voor een man
  • Desak voor een vrouw

de Sudra, de laagste kaste, 90-95% van de bevolking

1. Wayan, Putu, Gede voor het eerst geboren, mannelijk kind
Wayan, Putu, Iluh voor het eerstgeboren, vrouwelijk kind
2. Made, Kadek voor het als tweede geboren, mannelijk kind
Made, Kadek, Nengah voor het als tweede geboren, vrouwelijk kind
3. Nyoman, Komang voor het als derde geboren kind
4. Ketut voor het als vierde geboren kind

Het als vijfde geboren kind krijgt opnieuw de naam Wayan, Putu, Gede of Iluh.
Er zijn dus heel veel Wayans en Mades in Bali.

Onze chauffeur is dus een man uit de Sudra kaste, het tweede kind in het gezin.

Swastika kan in dit geval de familienaam zijn of een gekozen naam. De swastika is een symbool dat al lang gebruikt werd in het Hindoeïsme. Het heeft niets te maken met het de Nazisymbool.

I Made Swastika ben ik in Ubud nog niet tegengekomen.
Zijn oudere broer wel.

Upacara en een droom hotel in de rijstvelden bij Ubud

Kokosnoten plukken in de tuin van Villa Sabandari, een boutique hotel met zicht op de rijstvelden, vlakbij Ubud, Bali ‘Upacara’ betekent ‘Ceremonie’. Elk half jaar zijn er grote feestelijkheden in de tempels over heel Bali. De voorbereidingen worden volop getroffen en je ziet veel mooi geklede dames met allerhande interessants op het hoofd in het straatbeeld. Ik vermoed dat je hier geen status ontleent aan de cilinderinhoud van je auto, maar aan de hoogte van de toren met offergaven die je vrouw, op het hoofd, naar de tempel draagt.
Made kwam vragen of een man een kokosnoot uit één van onze bomen aan de rand van de rijstvelden mocht halen. Het was voor Upacara.
kokospalmen bij Villa Sabandari, een hotel met rice field views vlakbij Ubud, BaliSaar en Willy, zakenvrouwen als ze zijn, roken een business opportunity. Ze waren akkoord om een kokosnoot te geven op voorwaarde dat Bapak (Mijnheer) er nog vier extra uit de boom haalde. Bapak bleek uit het dorp vlakbij te komen. Hij zei dat ze vroeger, voor de grond geleased was en er van een hotel nog geen sprake was, altijd hier hun kokosnoten kwamen halen voor de ceremonies. Ik voelde een onprettige gedachte in me opkomen waarin bananen een hoofdrol speelden maar schudde die snel van me af. De man zag er eerlijk en betrouwbaar uit.
Hij klom razendsnel de boom in en leverde de gevraagde 4 kelapa muda’s. Komang en Made krijgen er straks elk één mee naar huis. Dit is onze versie van maaltijdcheques. We hadden die dag weer een auto gecharterd voor 8 uur om naar de bank te gaan en wat boodschappen te doen. Daarna zouden we gaan sightseeën. Joost ontmoette ons in het bankkantoor zoals afgesproken. Volgens hem kunnen buitenlanders zonder werkvergunning geen rekening openen in Indonesië dus zouden we de rekeningen op Willy’s naam openen en volmacht geven aan onszelf en Joost. Op die manier kon hij de betalingen doen die nodig zijn voor de bouw tijdens onze afwezigheid. We kregen een VIP ontvangst en mochten naar een kantoortje op de eerste verdieping waar we werden ontvangen door iemand die zich voorstelde met “Happy”. Voor ik kon antwoorden “Yes, you too?” zei ze zelf “…and what is your name Bapak?”. Ze bleek dus Happy te heten en we legden haar uit wat de bedoeling was. Willy bleek niet te beschikken over de juiste papieren om een rekening te openen. Het goede nieuws was dat buitenlanders onder bepaalde voorwaarden wel een rekening konden openen. Hoewel we niet aan die voorwaarden voldeden bleek, na enig aandringen van onze kant, één telefoontje voldoende om de regels, voor ons specifieke geval, wat ruimer te interpreteren. En, neen, er kwam geen geld onder tafel aan te pas. Mijn gekende vriendelijke uitstraling was voldoende. Twee uur later beschikten we over een Euro en een Rupiah rekening, een pasje om geld uit de ATM te halen en instructies voor online bankieren. Na een bezoek aan de Bintang supermarkt en Bali Buddha voor lekker brood, vroegen we de chauffeur de resterende tijd te besteden aan sightseeing in de buurt van Ubud. Hij bracht ons naar het dorpje Tegenungan om een waterval te bekijken. Na een ritje  ‘with rice field views’ in overvloed, arriveerden we bij de waterval. Niet na eerst tickets te hebben gekocht natuurlijk. We waren tenslotte op Bali.
waterval van Tegenungan bij Ubud, BaliZoals blijkt uit de foto van het toegangsticket moet je bereid zijn creatief met taal om te springen, wil je alles begrijpen. Je moet ook weten dat de Indonesiërs de ‘v’ en de ‘f’ vaak als ‘p’ uitspreken.
Voor wie hier niet vertrouwd mee is, een kleine toelichting bij de tekst op het ticket (klik de foto voor een grotere versie) :
- avaible = available
- joged = ik heb geen flauw idee
- prog = frog
- impormationt = information
- office ticket = ticket office
We kregen ook nog een herhaling van de ‘bambi ogen routine’. Ditmaal kwam het schattige meisje waaiertjes aanbieden. Ik was trots op mezelf omdat ik de prijs van 15.000 naar 7.000 rupiah had getaward (tawar = afbieden). Later, toen we aan het instappen waren, werd ik snel uit mijn droom geholpen. Willy kreeg hetzelfde waaiertje aangeboden voor 1000 rupiah. Weg was mijn pas verworven reputatie als keihard onderhandelaar. Ik hoorde Willy achter mij in de auto iets mompelen in het Maleis en onderdrukt lachen.
ticket voor bezoek aan de waterval van Tegenungan bij Ubud op BaliAl bij al was het een leuke dag.

Engelse les

De dag na Willy’s aankomst in Bali zijn we begonnen met Engelse les.
Ik gebruik een ‘Lonely Planet’ gidsje dat eigenlijk bedoeld is voor Engelstalige reizigers in Indonesië. Het bevat eenvoudige basiszinnetjes, handig gegroepeerd per thema. We nemen elke dag een aantal bladzijden door die Willy dan moet instuderen. Hiernaast een foto van Willy, druk aan de studie.
Willy studying English in Villa Sabandari, a small hotel with rice field view in Ubud, Bali Vaak heeft ze één of andere smoes om het begin van de les uit te stellen. Ze moet dan nodig afwassen of strijken of ze wilde net douchen.
Het is zeker niet mijn bedoeling streng te zijn. Toch hoorde ik Willy gisteren iets mompelen in het Bahasa Indonesia waarin ik het woord ‘militair’ meende te herkennen.
Ik heb het vast verkeerd gehoord.
Nou ja, ze doet erg haar best en dat is het voornaamste.
Als ze iets niet weet roept ze Saar’s hulp in, alsof ik lucht ben en dat niet kan horen.
De uitspraak kost haar het meeste moeite.
En daar moet je mee oppassen.
Ze slaagde er maar niet in het woordje ‘seat’ correct uit te spreken.
Het klonk steeds opnieuw als ‘sheet’ of soms zelfs als ‘shit’.
Ze zal later maar tegen een hotelgast zeggen “Please take a shit Madam.”
Ik liet haar de Maleise woordjes ‘sibuk’ (druk) en ‘silakan’ (a.u.b.) uitspreken.
Die begin -s klonk perfect.
Zodra ze ervan overtuigd was dat ze het kon is ze blijven oefenen: “sibuk, sibuk, sibuk, SEAT.”, “silakan, sibuk, silakan, SEAT.”
Nu lukt het al aardig.
Andere probleemgevallen zijn :
- ‘change’ wat ze onveranderlijk als ‘chains’ uitspreekt.
- ‘excuse me’ wat ‘escuse me’ wordt.
Het komt wel goed.

Een hotel bouwen in Ubud, Bali

Picture at Villa Sabandari, hotel di Ubud BaliVandaag hadden we een nieuwe vergadering met Joost en een architect van zijn bureau om een herwerking van de plannen te bekijken. Het begint stilaan een finale vorm te krijgen. Joost zal in een volgende fase de technische tekeningen laten maken zodat de bouwvergunningen kunnen worden aangevraagd. Tevens wordt een eerste, ruwe kostenraming gemaakt voor het hele project.Vermits de bestaande slaapkamerunit blijft, kunnen we daar logeren wanneer we in januari terugkomen. De aannemer zal dan volop bezig zijn met het hotel gedeelte. De terrassen die voor de slaapkamers moeten komen kunnen tegen dan in orde zijn. De spa zal dan ook in zijn finale fase van afwerking zitten. Gelukkig hebben we een goede architect die ons kan bijstaan in deze technische onderneming. Dit gezien mijn twee linkerhanden. Het kan geen toeval zijn dat deze tekening in ons gastentoilet hangt.
Morgen gaan we naar de bank voor het openen van een euro en een rupiah rekening.

Allang

Geen droom hotel maar een huisje op de berg

busje van het hotel In Latuhalat naar Ambon terminalAllang is het geboortedorp van de ouders van Saar en er wonen nog flink wat dichte en minder dichte verwanten.
Je wordt al snel ‘oom’ genoemd door wildvreemde mensen. Daarom is het allemaal soms wat verwarrend.
Willy Sipahelut, een achternicht van Saar, kwam ons afhalen in Latuhalat zodat we niet zelf moesten zoeken welke bemo (een klein busje) we best namen. Het werd een groene bemo met nummer 18 tot Ambon Terminal en dan een wat groter, erg lawaaierig busje tot in Allang. Kost van dit transport: verwaarloosbaar, terwijl het toch circa honderd kilometer is.
Het is echter het vervoer van de lokale bevolking en die kunnen zich geen duur transport veroorloven.
Je moet er dan wel de ‘couleur local’ bijnemen. Harde banken, propvol mensen, veel motorlawaai en uitlaatgassen, afgeleefde vering, traditionele airco (= alle

van het hotel naar Ambon
raampjes open), onderweg stoppen om vis te kopen, claxoneren voor alles wat op de weg loopt, afremmen voor spelende kinderen, honden, hanen, runderen enz., diepe putten in de weg, in eerste versnelling een berg op ratelen tegen 15km/uur, medepassagiers die gewoon buiten de auto aan het bagagerek hangen, of het de gewoonste zaak van de wereld is, en zo verder.
In Allang aangekomen wachtte een andere beproeving: de berg op klimmen tot het huis van Njong Pai, Saar’s neef en de vader van Willy.
Het eerste gedeelte bestaat uit een brede trap met hoge treden. Die trap wordt smaller en smaller en de laatste honderd meter is er geen trap meer, maar stap je van steen tot steen naar boven.  Je loopt hier niet in het rice field maar tussen de bomen en struiken.
Gelukkig had ik uit het hotel een paraplu meegenomen als steun bij het klimmen.
Saar besloot beneden aan de trap nog een sigaretje te roken zodat ik de kans kreeg een voorsprong op te bouwen.
Het zou een schande geweest zijn na de twee vrouwen boven aan te komen.
Na een dertigtal treden liep het zweet me al van de rug en zuchtte en pufte ik als een oververhitte stoomlocomotief.
Iedereen groet je dan ook nog eens vriendelijk en bekijkt je aandachtig. Je bent tenslotte wit en die kleur zie je niet zo vaak in Allang.
Na ongeveer een derde van de klim knoopten twee mannen een gesprek aan, wat me de gelegenheid gaf om, zonder al teveel gezichtsverlies,een pauze in te lassen.
Nauwelijks was ik terug vertrokken, nu op smalle trapjes tussen de huizen, of een vrouw riep, ergens achter mij “Bapak mau ke mana?” wat zoveel betekent als “Waar wil meneer naartoe?” Ze hing half uit het raam, gekleed in een nachtjapon. Of daar leek het toch op.
Hier geen droom villas zoals in Ubud of in het zuiden van Bali, maar eenvoudige huizen met golfplaten daken.
Mijn beperkte kennis van het Maleis was gelukkig groot genoeg om haar te begrijpen en ik antwoordde dat ik naar Saar’s neef op weg was: “Saya mau ke Njong Pai Sipahelut”. Ze riep iets wat ik niet begreep en kwam iets later achter me aan gehold.
Het bleek een vrouw van in de zeventig, graatmager, in een soort nachtkleed en met nog bijzonder weinig tanden in de mond. Ze begon me uitgebreid van alles te vertellen waarvan ik het meeste niet verstond. Behalve dan “pelan, pelan!” wat “traag, traag” betekent.
Hoewel ze waarschijnlijk zo traag klom als ze kon, liep ze zo van me weg. Na een aantal keer op me te hebben gewacht hield ze het voor bekeken en snelde me vooruit. Later bleek dat ze naar het huis van Njong Pai was gelopen om mijn komst aan te kondigen.
Ze had daar drieduizend (sic) keer moeten roepen voor er iemand kwam.
Bijna boven kwamen de tante en Njong Pai me tegemoet. Ik was op dat moment meer dood dan levend, volledig doorweekt en vermoeider dan ik de laatste jaren ben geweest. Bij nader inzien was dat niet zo verwonderlijk gezien ik door mijn rugproblemen de laatste tijd vooral zittend heb doorgebracht, met als gevolg een conditie beneden alle peil en een kilootje of vijftien overgewicht.
Ik was net terug op adem gekomen toen Saar en Willy het laatste klimmetje aanvatten.
Kon ik toch mooi, met een rustige ademhaling vragen: “Waar bleven jullie nou eigenlijk?”
We moesten onze natte kleren uittrekken, mandiën (met behulp van een kommetje warm water uit een teiltje over je heen gieten tot je weer lekker schoon bent), en dan een sarong aantrekken.
Het was intussen al vrij laat op de middag en we zagen het echt niet zitten om nog terug te reizen naar Latuhalat.
Er werd een tandenborstel gekocht, wat extra rijst gekookt en we bleven gewoon slapen in het huisje ‘on top of the world’.

Geen veranda van een boutiqe hotel maar van een huisje op de heuvels net buiten AllangEen van Amma's droom villas ;-)

Over koki, supir en tukan kebun

Logeren bij Belgen in het buitenland

Op het eerste gezicht lijkt de titel van dit stukje geschreven in het koeterwaals.
Dat is niet zo. Ik heb enkel een paar woorden uit de Indonesische standaardtaal, het “Bahasa Indonesia” gebruikt.
Door de lange Hollandse kolonisatie zijn er veel Nederlandse woorden de Indonesische taal binnengeslopen.
In de titel staan er twee: “koki”, ook “juru masak” genoemd, betekent “kok” en een “supir” is een chauffeur.
In Indonesië is het tewerkstellen van huispersoneel de normaalste zaak van de wereld. Het is niet zo dat dit een privilege is van de elite. Het vraagt wel enige aanpassing om te wennen aan het idee . Wanneer je voor het eerst met dit gegeven in aanraking komt voel je je wel een beetje de koloniaal van 100 jaar geleden. Die statige heren in witte linnen pakken en tropenhelmen die rustig een gin-tonic dronken op hun veranda terwijl bedienden van op een afstandje onderdanig toekeken.
Van ons zal verwacht worden dat we ook personeel in dienst nemen, hoe klein ons hotelletje in Ubud ook zal zijn. Een aantal geschoolde mensen, maar ook mensen uit het dorp voor jobs zoals tuinman of security guard. Als vuistregel wordt een verhouding gehanteerd van 1:1,6 d.w.z. gemiddeld 1,6 personeelsleden per kamer. In ons geval komt dat algauw neer op 6 tot 7 mensen. Tijdens onze reis in september en oktober hebben we een meeting gepland met “The Bali Tourism Institute”, de Hogeschool voor Toerisme, om meer inzicht te krijgen in deze materie.
De lonen liggen, naar Europese normen, erg laag. Indonesië blijft tenslotte een ontwikkelingsland. Ongeschoolde arbeiders of boeren op het platteland verdienen natuurlijk nog een stuk minder.
Door mensen in dienst te nemen creëer je dan ook een stukje koopkracht en raak je meer betrokken bij de lokale gemeenschap in Ubud. Je moet natuurlijk keuzes maken. We hoorden het verhaal van iemand die een zwembad wilde aanleggen en voor het uitgraven de keuze had tussen het huren van een bobcat, waarmee het werk op een dag of twee zou klaar zijn, of het aanwerven van 15 ongeschoolde arbeiders, die met de klus 14 dagen bezig zouden zijn. In het eerste geval kies je voor snelheid van uitvoering, in het tweede geval bezorg je 15 mensen gedurende 2 weken een inkomen, hoe karig ook naar westerse normen. Door mensen in dienst nemen lever je dus een bescheiden sociale bijdrage en haal je de band aan met de lokale gemeenschap. Er zullen dus keuzes gemaakt moeten worden. Gasten die willen logeren bij Belgen in het buitenland verwachten natuurlijk ‘westerse’ kwaliteit. Ze logeren dan wel in een ‘luxury accommodation with rice field view’ maar je  mag er, denk ik,  vanuit gaan dat mensen die  kiezen voor een vakantie in Indonesië, niet negatief zullen staan tegenover een initiatief dat rekening wil houden met de noden van de lokale bevolking
Van Rudy hoorden we dat je ook best een klein bedrag stort bij de lokale bank van de Banjar waar je woont. Deze bank geeft leningen aan leden van de Banjar. Verhuis je, dan krijg je de gestorte som terug. Een vorm van microkrediet dus, dat al lang schijnt te bestaan oLogeren bij Belgen in het buitenland, in Bali vind je overal offertjes, zowel op straat als in de rice fieldp Bali. Je betaalt ook een jaarlijkse bijdrage aan de Banjar. Hiermee druk je als het ware uit dat je erbij wil horen.Wanneer je dan bijvoorbeeld een feest geeft, zal een aantal mannen van de Banjar zorgen voor het regelen van het verkeer en de security. De lokale structuren hebben veel macht en hiermee dient zelfs de centrale regering rekening te houden. Er zal niets gebeuren zonder daar de traditionele, lokale machthebbers bij te betrekken. Bali is op vele manieren een buitenbeentje in Indonesië. Niet enkel door de speciale bestuursvorm maar ook bv. omdat 93% Hindoe is in een overwegend Moslimland en door het kastensysteem dat nog steeds gerespecteerd wordt. Elk huis heeft zijn huistempeltje en overal zie je kleine gevlochten mandjes met offergaven zoals rijst, vruchten, bloemen enz. Je dient er ook rekening mee te houden dat je medewerkers vaak afwezig zullen zijn voor het bijwonen van religieuze ceremoniën. Op 15 juli 2008 was er bijvoorbeeld de crematie van twee leden van de koninklijke familie van Ubud. Een evenement dat de hele stad in zijn ban hield en het openbare leven zowat lam legde. Over de invloed van religie en kasten meer bij een volgende gelegenheid.

Hoezo Sabandari?

We zouden dus een klein guesthouse beginnen. Dan moet het kind natuurlijk ook een naam hebben. Alle kleine hotelletjes of guesthouses heten in Bali “Villa Huppeldepup” waar “Huppeldepup” te vervangen is door één of andere exotisch klinkende naam. “Villa Hibiscus”, “Villa Cempaka”, “Villa Mahayani”,…
Dan konden wij ons optrekje toch moeilijk “Huisje Weltevree” of “De Purperen Hei” gaan noemen.
Het moest ook iets Oosters en mysterieus klinkend worden.
Omwille van die eerder vermelde frangipani-boom dachten we eerst aan “Villa Frangipani”. We, lees Saar, vond dat wel leuk klinken. Ikzelf associeerde die naam eerder met een frangipanetaart. Dus niet.
Er staat ook een kruidnagelboom, aan de linkerkant zodra je de poort binnenkomt. Kruidnagel in het Maleis is “Cengkeh” en het is één van de kruiden die typisch zijn voor de Molukken. “Villa Cengkeh” dan maar? We stelden ons al voor hoe die naam zou worden vermassacreerd door de verschillende taalgroepen en stapten ook van dit idee af. Het moest dus niet alleen een naam worden met een hoog Multatuligehalte, maar ook één die door iedereen ongeveer op dezelfde manier zou worden uitgesproken.
Back to the drawing board.
“Ons huis” in het dialect van Allang is “Luma Ité”. “Villa Luma Ité”?
We vonden het wel een goed idee om een link te hebben met de Molukse roots van Saar.
Ik was nog niet echt tevreden met de naam en surfte nog maar wat verder. Nu moet je weten dat één van de bekendste en meest exclusieve hotels van Bali het “Amandari Hotel” is. Rod Stewart is er voor de x-ste keer getrouwd en Trina, één van de masseuses heeft de Beckhams, Demi Moore, David Copperfield en Jimmy Carter onder handen genomen. De stap van Amandari naar Sabandari was klein en voor de hand liggend. Voor degenen die dat niet zouden weten: Saar’s familienaam is Sabandar.
Ik vond het onmiddellijk goed en voor inspiraties met een buikgevoel moet je respect hebben.
Het klonk Oosters, was makkelijk uit te spreken én bevatte een link naar de Molukken. De klankverwantschap met het Amandari was ook mooi meegenomen. Saar vond het eerst een raar idee maar draaide snel bij. De Sabandars hebben de reputatie notoire ijdeltuiten te zijn. Op een leuke manier.
De naam “Sabandar” is al heel oud en betekent zoiets als ‘havenmeester”. Je herkent er “Shah” in wat koning of meester betekent en “Bandar” wat haven betekent in Bahasa Indonesia, Maleis en Perzisch.

Enkele historische bronnen:

“… In this disposition of mind towards us, they had come to a determination to seize our house, and to send all our people prisoners to the top of a high rock, the consent only of the sabandar being a-wanting for taking possession of our goods, though some even began to take our goods forcibly. On the arrival of the sabandar, Mr Spalding waited upon him, and remonstrated upon the unjust conduct of the islanders in taking away our goods, craving his protection. The sabandar then said, that the islanders were resolved we should not do as the Hollanders had done, and were therefore resolved to make all the English prisoners; for the ship was gone, and our intentions seemed bad towards them.”
Uit “Fourth Voyage of the English East India Company, in 1608, by Captain Alexander Sharpey

“October 1789. In the afternoon at four o’clock I went on shore and landed at a house by the river where strangers first stop and give an account who they are, whence they came, etc. From this place a Malay gentleman took me in a carriage to Sabandar, Mr. Engelhard, whose house was in the environs of the city on the side nearest the shipping. The Sabandar is the officer with whom all strangers are obliged to transact their business: at least the whole must go through his hands. With him I went to pay my respects to the governor-general who received me with great civility. I acquainted his excellency with my situation and requested my people might be taken care of and that we should be allowed to take a passage to Europe in the first ship that sailed. I likewise desired permission to sell the schooner and launch. All this his excellency told me should be granted. I then took leave and returned with the Sabandar who wrote down the particulars of my wants in order to form from them a regular petition to be presented to the council the next day. I had brought from the governor of Coupang, directed for the governor-general at Batavia, the account of my voyage and misfortune, translated into Dutch from an account that I had given to Mr. van Este. So attentive had they been at Timor to everything that related to us.”
Uit “A Voyage to the South Sea” by William Bligh, published 1792

“The 9th September, we had sight of Socatora, and passing by Tamarind [Tamridal] Bay, came to anchore in Delisha.
The one and twentieth of October we came into Swally.
After the fight on the tentieth of January, in which three Portugall ships were burnt and two frigates sunk, and timber procured for the Hopes main mast (which the Nabob caused to be done so warily that it seemed he was afraid lest the Portugals might know it) on the four and twentieth came a Jesuite with another fellow from the eroy to intreate of peace with Magribocan, who on the seven and twentieth sent the ??Viceroy one hundred and fiftie maunds meale, one hundred sheepe, twentie-five maunds conserves, with hens, etc. In the afternoone the Sabandar requested me to read a letter from the Viceroy, which signified that, whereas by the Padre hee was informed that the Nabob desitred ro make peace in his masters name and had appointed for treatrie thereof then Sabandar, Isaac Beg and Abduram (Abdurrahim) , hee also had hearkened thereto and appointed three others to that businesse, binding himselfe to performe their agreements.”
Uit “Collections taken out of the Journal of Captaine Thomas Elkington. Successour to Captaine Nicholas Downton in the voyage aforesaid written by himselfe, January 1613″