Archive for the ‘Cultuur en Religie’ Category

Budi’s Beeld

wooden statue of a barong mask in one of the best yoga retreats in Ubud, Bali

Het dossier van I Made Budiarta was na een eerste sollicitatiegesprek niet erg sterk.
Hij kwam wat onzeker over en had de laatste twee jaar enkel nog gewerkt in het atelier van zijn vader. Die maakt houten beeldjes voor de verkoop in het winkeltje van zijn vrouw.
Budi’s langste werkervaring was 3 jaar in de huishouding in de privé villa van een Japanse familie. Hij had zijn ontslag gegeven omdat hij geen vrij kreeg voor de crematie van zijn grootvader.
Hij had daarentegen wel een rijbewijs, sprak redelijk Engels en, naar eigen zeggen, beter Japans. Hij beweerde ook flexibel te zijn zowel voor wat jobinhoud, als voor wat werktijden betrof. Zijn salarisverwachtingen waren redelijk.

Best Bali Hotels

We hadden al twee Made’s in dienst op dat moment maar dat was volgens hem geen probleem. We moesten hem maar Budi noemen zei hij.
Op 30 januari 2010 kwam Budi in dienst voor een proefperiode van 2 maanden.

Gisteren begon hij om 13:00 maar stond om 10 voor één in mijn bureau met een houten beeld onder zijn arm.
‘Of hij dat op de kast in de open living mocht zetten?’, vroeg hij op zijn eigen, wat bedeesde manier.
‘Aha, mooi beeld!’ zei ik, ‘en dat wil je zeker verkopen?’.
Ik dacht intussen de Balinezen zo wel een beetje door te hebben.
Niet dus.
Neen, hij wilde het niet verkopen, alleen daar zetten. En of dat goed was.
‘Ja hoor, ga je gang’, antwoordde ik,  ‘heb je dat zelf gemaakt?’  Dat bleek zo te zijn en hij had ermee deelgenomen aan een wedstrijd voor houtbewerkers. Het beeld stelt een Barongmasker voor dat iemand in zijn hand heeft. Hij speelde als kind altijd met zo’n masker en dat gaf hem de inspiratie.
Later vroeg Saar nog eens, voor alle zekerheid, wat de bedoeling was.
Het was een cadeau voor Ibu (mevrouw, moeder) en Bapak (mijnheer, vader) zei hij.
Ik denk dat die jongen hier graag werkt.

Nota voor mezelf: ga niet te veel af op je eerste indruk maar durf ook iemand een kans te geven.

Yoga classes & training in Ubud

Terug naar Afrika

Flamboyant tree in Africa

foto: Flamboyant

Een combinatie van factoren deed mij de afgelopen weken vaak, in gedachten, teruggaan naar 1977. Dat is 33 jaar geleden maar zo voelt het niet. Het lijkt nog niet zo lang geleden. Niet abnormaal wanneer je een dagje ouder wordt schijnt het, maar het verrast me toch steeds opnieuw.

Nu we een jaar in Bali zijn, vond ik het tijd worden om ons sociale zekerheidsstatuut aan te passen aan de nieuwe situatie.

Spiritual Retreats in Bali

De ‘Dienst Overzeese Sociale Zekerheid’ (DOSZ) stuurde me allerhande formulieren via e-mail die ik dan kon inscannen en terugmailen, na ze behoorlijk te hebben ingevuld welteverstaan.
Hierbij bleef het niet; dat zou te mooi en te efficiënt geweest zijn. Neen, de originelen moesten ook nog per post worden opgestuurd naar Brussel.
Een aantal weken later kreeg ik een bericht van DOSZ met de vraag of ik vroeger nog bij hen bijdragen had betaald.
Ik antwoordde ontkennend.
‘Of ik dat wel zeker wist’, vroeg een vriendelijke mevrouw per kerende mail.
‘Of ik niet ooit, misschien lang geleden, had gewerkt in het buitenland voor een NGO?’
Toen ging er een belletje rinkelen en liet ik weten dat ik, in een grijs verleden, tussen 1977 en 1979 mijn burgerdienst had gedaan in Opper-Volta, het huidige Burkina Faso in West-Afrika.
De mevrouw zei dat ik dan toch degene was die bij hen een dossier had.
Het ‘Algemeen Bestuur Ontwikkelingssamenwerking’ (ABOS) had twee jaar voor mij premies gestort bij DOSZ. Het zal wel geen vetpot zijn maar het deed toch plezier. Het verzoende me ook weer even met het functioneren van de administratie.

Yoga Holidays

En dan was er dat meisje van 15 uit Gistel die begin mei overleed aan hersenvliesontsteking.
Opnieuw een flashback.
Ditmaal naar een klein kamertje in een gebouw in de brousse van Burkina Faso. Achter een paar rieten matten, een groen ijzeren bed met een dunne metalen stang op iedere hoek en daaraan een muskietennet. Het was warm in die kamer, zelfs wanneer je geen koorts had. De zon scheen onbarmhartig op het golfplaten dak en het zuchtje wind kwam linea recta uit de Sahara en bracht geen verkoeling.
‘C’est le palud’, zei pater Boinot, die naast Professeur de Français et Latin, ook infirmier was. Palud is kort voor ‘paludisme’, malaria dus. Daar hadden wel meer van de die oude knarren (mijn collegae in de school waar ik les gaf) af en toe last van. Die woonden dan ook al tientallen jaren in Afrika.
Ik voelde me al een aantal dagen niet lekker, moe, overal pijn en wat koortsig. Nivaquinepillen nemen, veel water drinken en rusten was het advies.
Dagen heb ik daar gelegen met steeds hoger oplopende koorts, barstende hoofdpijn en pijn in spieren en gewrichten. De nonnetjes brachten me soms wat soep of rijst met saus en wat water.
De pilletjes werden op een bepaald moment vervangen door inspuitingen met Flavoquine, een ander middel tegen malaria. ‘Stilstaan!’, zei Boinot, ‘dan voel je er niks van’. Maar ik kon niet stilstaan. Ik daverde verdomme van de koorts!  En elke avond kwamen ze me roepen voor het eten. Zonder twijfel het adagium indachtig ‘Il faut manger l’Afrique, sinon l’Afrique te mange’. Ik mocht niet aan eten denken. Kon geen hap door de keel krijgen. Afrika was bezig me een kopje kleiner te maken, daar was ik zeker van.
In mijn koortsdromen zag ik mijn plaatsje, op het kerkhof van Tionkuy, naast de Franse ontwikkelingswerker, waarvan de naam me nu ontsnapt, maar die werkte in het ‘Centre Agricole Rurale’ en die jammer genoeg de windrichting verkeerd had ingeschat bij het besproeien van de gewassen met een uiterst giftig insecticide. Een houten bordje met zijn naam, geboorte- en sterfdatum erop. Dat was het.
Op een bepaald moment voelde ik me zo slecht dat het me ook helemaal niets meer kon schelen. Er was geen emotie, geen angst, alleen apathie.
Toen mijn nek begon te verkrampen en mijn hoofd wat naar achter trok en ik ook kramp in mijn onderkaak kreeg, begon Boinot toch stilaan zijn diagnose in vraag te stellen. Ik moest me dan maar aankleden en wat toiletspullen bij elkaar zoeken want ze zouden me naar de dichtstbijzijnde stad met een ziekenhuis brengen.
In een ambulance zal u denken?
Neen, in een Citroën 2pk van net na de oorlog, eigendom van de directeur van de school waar ik les gaf, le Père Nouaille-Degorce, het prototype van de missionaris compleet met witte baard, gekleed in gandoura en op sandalen.
De afstand tussen Tionkuy en Nouna was misschien 50 km maar we deden daar uren over. De weg was dan ook niet geasfalteerd maar bestond uit aangestampte, rode aarde met om de haverklap diepe putten en uitgesleten ribbels, net golfplaten, die het onmogelijk maakten om sneller dan tegen een slakkengangetje te rijden.
Nouaille was bekend om zijn herstellingen aan motoren allerhande. De meest gebruikte materialen bij die herstellingen waren elastiekjes en ijzerdraad. In mijn koortsnevels was ik steeds weer op zoek naar de volgende baobabboom (zie foto), in de verte, langs de kant van de weg. Daar zou ik naartoe moeten zien te komen als die duivelse 2pk het eindelijk zou begeven. Naar de schaduw, gewoon liggen en wachten.

Baobab tree
Na, wat een eeuwigheid leek, arriveerden we in de missiepost van Nouna. Weer een snikheet kamertje met een zelfde soort bed en een even muf ruikend muskietennet.
Boven de 40° koorts, 2 weken bijna niets gegeten en zo verward als een junk, werd me uitgelegd waar het ziekenhuis was en kreeg ik een mobylette om er naar toe te rijden.
‘L’Afrique c’est pour les costauds’.
De vriendelijke Zwitserse dokter herinner ik me, die heel snel de diagnose ‘méningite’, hersenvliesontsteking stelde, en een jonge, blanke non in het wit die me een pijnlijke injectie in de bil gaf, en dat het pijn deed wanneer ik daarna met mijn mobylette door al die verdomde putten terug reed naar de missiepost en dan liggen en proberen te slapen en die verdomde ezels met hun keihard gebalk en de metalen velg waarop de paters constant sloegen omdat ze geen kerkklok hadden en de vruchten van de flamboyant die klepperden en klepperden tot je er gek van werd en de cicaden die allemaal tegelijk begonnen te zoemen en dan weer gelijk stopten en de gecko’s die naar elkaar ‘gecko, gecko, geckooooo!’  riepen soms 5 – soms 7 – soms 10 keer en mijn hart dat met zijn koortsig gebons het dak van het muskietennet boven me ritmisch deed bewegen, en nog zoveel meer.
Airco?  Vergeet het. Een roestige ventilator, hoog aan het plafond maar die deed het niet.
Lakens die lichtrood zagen van het fijne laterietstof dat door alle hoeken en gaten de kamer binnenkwam.
En dan het langzame genezen.
De eerste nacht weer doorslapen, die eerste douche, opnieuw ‘s avonds buiten eten met de anderen, weer normaal kunnen denken en lopen. Ik was er weer.

En dan was er Vangheluwe en pater M.
Pas jaren later, tijdens een reünie met een aantal van mijn, in Europa en Canada wonende ex-leerlingen, hoorde ik dat M. zich vergreep aan de jongens van de school.
M. waarmee we haast elke avond, bij het licht van een petroleumlamp Bravolta bier dronken uit halve liter flessen en kaart speelden tot we omvielen van de slaap.
M. die 2 jaar mijn haar (dat had ik toen nog ja) knipte. Ik zat op een ijzeren stoel, met een handdoek over mijn schouders in de mangoplantage, achter onze kamers.
M. die ik wel eens hand in hand zag lopen met sommige jongens maar dat is in Afrika de gewoonste zaak van de wereld, dus daar stond ik maar niet bij stil. M. die, naar ik later hoorde, door de zijn orde naar Frankrijk werd gestuurd, toen het allemaal wat te erg werd.
M. die het, zoals Vangheluwe, blijkbaar aankon om een dubbelleven te leiden. Hij was nota bene biechtvader en raadsman van een aantal jongens op die school. Ik begrijp niet dat ik tijdens die 2 jaar niets gezien of gemerkt heb terwijl we met z’n tienen, geïsoleerd van de buitenwereld, samenleefden.
En Jef Geeraerts in Congo en de sabel van Boudewijn.

Ik droomde weer van Afrika, in het Frans, zoals toen.

Nu op Bali hoor ik weer de geluiden van de tropen en voel de warmte van de evenaarszon.
Maar we zijn 33 jaar verder en de omstandigheden zijn wat anders.
En dat is een gigantisch understatement.

Hotel Reservation

Ogoh²

Bali Hotel

Tijdens haar bezoek aan Bali was Tina redelijk gebiologeerd door het fenomeen ‘Ogoh-Ogoh’.
In de titel schrijf ik dit meervoud met een kwadraat teken; dat is normale praktijk in het Bahasa Indonesia. Een pisang is een banaan en pisang² (spreek uit pisang-pisang) zijn dus bananen. Een beetje raar maar wel logisch.
Op de avond voor ‘Nyepi’, de dag van de stilte, trekt een stoet met grote monsters op bamboe staketsels en gedragen door de dorpsjeugd, door de straten van de Balinese dorpen en steden. Op kruispunten draaien ze rondjes om de boze geesten, gepersonifieerd door de monsters, het spoor bijster te maken. Later worden die monsterbeelden dan verbrand en zo, symbolisch, vernietigd.

Yoga teacher training

De 24 uren die volgen op die rituele verbranding mag niemand op straat, mag er nergens licht branden, er is geen lawaai, er wordt niet gekookt, er vertrekken of landen op heel Bali geen vliegtuigen. De boze geesten zullen op die manier voor de gek worden gehouden. Ze zullen Bali links laten liggen want daar woont blijkbaar toch niemand. De Pecalang, de burgerwacht zeg maar, ziet scherp toe op het naleven van deze verplichtingen.
Het maken van de monsters vraagt weken van gezamenlijke inspanning. Opnieuw een activiteit die het groepsgevoel versterkt en zo mee de basis vormt van het sterke Balinese sociale weefsel.
Tina heeft de opbouw van de ‘Ogoh-Ogoh’ in verschillende fasen gefotografeerd. Van bij het eerste ruwe vlechtwerk tot en met het griezelige resultaat.
Wat lezen we nu in een lokale krant net na Tina’s vertrek?
Advertisment to send in pictures for a book about Ogoh Ogoh in Bali
Inderdaad, er bestaat een concreet plan om een boek te geven over het fenomeen ‘Ogoh²′; gestoffeerd met foto’s. Er is een wedstrijd uitgeschreven om foto’s, films en ander grafisch materiaal te gaan beoordelen en een selectie te maken voor opname in het boek. Eerste prijs Rp 5.000.000.
Hierna de foto’s die we hebben ingestuurd voor de wedstrijd.
Naar mijn bescheiden mening is het volgende ticket Amsterdam – Denpasar – Amsterdam zo goed als binnen.
Ik houd u op de hoogte.

Saraswati 02/2010

Ik schreef al eerder over Saraswati, de godin van de kennis en tevens, in de Balinese kalender, de dag waarop aan deze godin wordt geofferd. Alles staat die dag in het teken van de kennis. De kinderen gaan niet naar school in hun uniformen maar in volledige traditionele klederdracht.

Saraswati meeting at Villa Sabandari, one of the newest hotel villas in Ubud Bali

Tijdens het laatste Odalanfeest in de tempel, ontmoetten we kort de landeigenaar Cokorda Trisnu Alit en zijn gezin. De oudste zoon sprak wat Engels en ik zei aan Pak Cok, want zo noem ik hem, dat zijn zoon altijd op bezoek mocht komen om zijn ‘English Conversation’ bij te spijkeren. Was het daardoor of doet het verhaal de ronde dat er op de heuvel Gunung Sari een raar oud mannetje woont dat Engels kan spreken en niet om een anekdootje verlegen zit? Dat er daar met andere woorden op een relaxte manier ‘kennis’ kan gesprokkeld worden tot meerdere eer en glorie van de godin Saraswati?
Cokorda junior en drie van zijn vrienden kwamen onverwacht aankloppen en we hadden een leuk gesprek over een grote verscheidenheid aan onderwerpen: hun toekomstplannen, het belang van talenkennis, de houding tegenover mens, dier en natuur, het hindoeïsme, het belang van tradities en gebruiken enz., enz.
Saraswati zal tevreden hebben toegekeken.

Saraswati meeting at Villa Sabandari, one of the newest hotel villas in Ubud Bali

Ubud: Hotel Villas in Bali

Vlammend verdriet

Diepgelovige mensen hebben het makkelijk. Als ze zich aan de regels houden worden ze na hun laatste reis voor eeuwig gelukkig. Want elke godsdienst heeft wel een soort van hemel. Een beloning voor het binnen de lijntjes kleuren. Gisteren zag ik dat geloof ook een bron van wrijving kan zijn.

Tijdens de voorbereiding van de hindoecrematie staat één snikkende man tussen de lachende mannen die zich verdringen rond de witte kist op de grond. De crematieweide ligt idyllisch omgeven door palmbomen. De bovenkant van de kist wordt opgetild, het zwaar geschminkte gezicht van een jonge vrouw wordt zichtbaar. Het huilen van de man wordt heviger. Een priester besprenkelt het lijk met water en de lachende mannen stoppen bankbiljetten in gevlochten mandjes en leggen die aan de zijde van de dode. De ene man blijft ongegeneerd hard huilen terwijl de andere mannen hem straal negeren. Ik verbeeld me zelfs dat hun gelach sterker wordt. Plots knielt de man bij het lijk, grijpt de ingekaderde foto van de vrouw en baant zich een weg uit de massa. Ik blijf nog wat staan, bekijk het af- en aanlopen van vrouwen die offers overhandigen aan de priester. Fruit en in palmbladeren gewikkelde pakketjes rijst, maar ook twee dode vogels en een Samsonite reiskoffer.

Ik kwam naar de crematie samen met Willy, de nicht van Saar, die werkt in Villa Sabandari. Willy groeide op in het dorp Alang op Ambon. Op Ambon is 60% moslim en 35% protestant. Willy behoort tot de sterke protestantse gemeenschap van Alang en ook hier op Bali gaat ze elke zondag naar de protestantse kerk. De vrouw, die gecremeerd wordt was vijfentwintig jaar en haar naam was Juliana. Ze kwam uit hetzelfde dorp als Willy en was ook protestants. Ze werkte en woonde dichtbij Denpasar. De crematie vindt plaats in het dorp van haar Balinese echtgenoot.

Als een man met een vlammenwerper het lijk nadert en iedereen een paar stappen naar achteren zet, verwijder ik me en slenter terug naar de auto. Tegen onze auto leunt de huilende man. Hij houdt de foto tegen zijn borst gedrukt. Naast hem staat Willy met haar armen troostend rond de schouders van een oudere vrouw. De vrouw is de moeder van Juliana en de huilende man is haar broer. Ze zijn overtuigde protestanten en Juliana wordt nu tegen hun wil gecremeerd. De broer doet zijn verhaal in het Engels: hoe ze gisteren pas op Bali arriveerden en hebben geprobeerd om Juliana een protestantse begrafenis te geven, hoe de familie van de Balinese echtgenoot dit bot weigerde, hoe ze Juliana niet te zien kregen, hoe hij daarnet vreselijk schrok toen hij het gezicht van zijn dode zus zag, liggend op de grond, op een rieten mat tussen vreemde voorwerpen en zijzelf het onderwerp van onbegrijpelijke rituelen. Hij doet het relaas hevig snikkend. Moest hij niet zo groot en forsig zijn dan legde ik ook mijn armen rond zijn schouders.

De Balinezen die passeren bekijken moeder en broer woedend en met minachting. Je mag niet huilen op een hindoecrematie want dan verhinder je de ziel te vertrekken naar de hemel.

Op de weide laait het vuur hoog op. De Samsonite reiskoffer geeft een blauwe steekvlam.

Spa Resort Villas, Ubud Bali

Gunung Agung

Mount Agung the holy mountain of Bali, as seen from the garden of Villa Sabandari, a botique hotel in Ubud, Bali

We wonen nu ongeveer 10 maanden op Bali en toch heb ik pas twee weken geleden ontdekt dat we vanuit onze tuin ‘Gunung Agung’ kunnen zien. Het is de hoogste (3142 m) en heiligste berg van Bali, een actieve vulkaan waarvan de laatste uitbarsting dateert van 1964. Vergelijkbaar met de Olympus in Griekenland, beschouwen de Balinezen deze berg als de woonplaats van de goden en het centrum van de wereld.

Meer informatie hier  http://nl.wikipedia.org/wiki/Gunung_Agung

De foto is genomen door Tina vanaf het terras van de kamer op het gelijkvloers, aan de kant van de sawah.

Boutique Hotels Ubud, Bali

Witte rook

Sommige mensen zijn gek op auto’s of geven onredelijke bedragen uit aan schoenen. Ik ben op materieel vlak geen hebberig type maar kwaliteitsvol keukengerei maakt toch iets bezitterigs in mij wakker. Dus gisteren was het een hoogdag: de horecaspullen werden geleverd. Op het keukenblok stonden vier kartonnen dozen elk zo groot dat er een breedbeeldtelevisie in zou passen.
Maar in plaats van met hightechtoestellen zaten ze vol met potten en pannen, blinkende inoxen schalen en schaaltjes, een tiendelige professionele messenset, een klopper waarmee je in een keer genoeg mayonaise klopt voor een goeddraaiende frituur, ronde en vierkanten voedingsringen, een knalgroene slazwierder, een digitale weegschaal, een groene, een blauwe en een rode snijplank (respectievelijk voor groenten, vis en vlees), taartvormen, slakommen en een pastamachine. Het uitpakken bracht mij in een Sinterklaasstemming. Een beetje euforisch zelfs.
Agung en Budhi, de twee obers, chauffeurs en afwassers van dienst, verwijderden nauwgezet de hardnekkige stickers van dat schitterend keukengerei. Het onmisbare product Sticker Remover staat momenteel nummer één op de Villa Sabandarilijst van populaire schoonmaakmiddelen. Vier sticky labels op een aardappelmesje is geen uitzondering. Alle items werden daarna gesopt, gespoeld, gedroogd en door mij in de laden en kasten opgeborgen.
Gisteravond werd beslist wie vanaf 1 maart met al dat moois aan de slag kan. De kandidaatkoks hebben hun praktijktesten achter de rug. En wij achter de kiezen. Na de noodzakelijke financiële afspraken kringelde er rond vijf uur witte rook uit de keukenschouw.
Habemus Kokkies!
Villa Sabandari kiest voor een vrouwelijke chef en een mannelijke sous-chef.
Ni Nyoman Adriani : roepnaam Koming (want de tuinman heet al Nyoman) mag de plak zwaaien in de keuken. Koming komt uit de laagste kaste. Vrouwen en mannen op Bali hebben in die kaste dezelfde naam (in dit geval Nyoman) en je herkent het geslacht aan het eerste deel. Ni voor vrouwen en I voor mannen.
Koming wordt bijgestaan door een man uit de hoogste kaste : Ida Bagus Vajrayana : roepnaam Gusday (gewoon omdat iedereen hem Gusday noemt). Hij is de neef van de priester die vandaag de Upacara (de inhuldigingsceremonie van hotel en huis) zal leiden.
Gusday was ongerust of Koming wel met hem zou willen werken. Hij als brahmaan in een ondergeschikte positie bij een vrouw uit de laagste kaste is geen evidentie. Hij was zo onzeker dat hij vanmorgen om zes uur Dirk uit bed belde om te weten of hij de job had. Dirk kon hem geruststellen.
Op 1 maart mogen Koming en Gusday de hagelwitte keuken inwijden. In de laden en kasten zullen ze juweeltjes van attributen vinden. Ik ben een tikkeltje jaloers.

Bij de kleermaakster

Op 9 februari wordt Villa Sabandari officieel ingehuldigd met een Upacara.

Een min of meer verplichte hindoeceremonie. Wie op Bali een nieuw huis betrekt hoort een Upacara te doen, anders daag je de goden uit en stort je jezelf in het ongeluk. Wat geldt voor huizen, geldt natuurlijk ook voor hotels en resorts.

Naar een Upacara ga je niet zomaar netjes gekleed, neen de richtlijnen voor de outfits zijn zeer strikt. Vergelijk het met de kledingseisen voor een ‘romantic wedding’.  Voor de vrouwen bestaat de ceremoniële kledij uit drie stuks : een wikkelrok (sarong), een lang katoenen hemd (kebaya) en een sjaal die rond het middel wordt geknoopt (selendang).

Holiday in Luxury Hotels

Sarong, kebaya en selendang: de traditionele kledij voor een tempelbezoek op Bali. Foto in winkeltje vlakbij Ubud, Centraal Bali

Mijn garderobe bevat geen enkel van deze items dus trek ik met Saar, die ook in het nieuw gestoken moet worden, naar een kleermaakster. Uit de kleding die deze vrouw zelf draagt is af te leiden dat ze niet op het punt staat om naar een Upacara te vertrekken.

kledingwinkeltje in de buurt van Ubud, Bali

Na het kiezen van de sarongstof begint pas het lastige gedeelte. Welke stijl willen we voor de kebaya? Een ronde hals, een boothals of een v-hals? Korte, driekwart of lange mouwen? De kleermaakster haalt uit de stapels ingepakte kebaya’s ontelbare voorbeelden tevoorschijn. En daarnaast wijst ze behulpzaam op de aangeklede paspoppen met variërende halsuitsnitten, halflange en iets kortere mouwen, puntige of afgeronde panden… Ondertussen druk taterend in het Bahasa Indonesia. Mij begint het al te duizelen.

Ik opper een onschuldig voorstel waar ik een paar minuten later dik spijt van krijg: ‘Laat ons gewoon wat verschillende modelletjes passen.’ Op een paspop ziet elk kledingstuk er namelijk schitterend uit. Maar uit ervaring weet ik dat die indruk verandert wanneer ik het zelf aantrek.

Mijn eerste witte kebaya (een XL !) krijg ik niet over mijn bovenarmen. Vol vertrouwen denk ik dat het komt omdat ik bezweet ben. Saar past krap in dezelfde XL.

Helemaal onderaan uit een stapel van wel twintig ingepakte kebaya’s haalt de kleermaakster voor mij een XXL boven. Het plastiek zakje waarin het zwaarwichtige model zit ritselt onheilspellend. Ik glijd zonder probleem in de eerste mouw. Ook rond mijn schouders en rug voelt het katoenen hemd comfortabel. Maar de knoopjes vooraan, ter hoogte van mij westerse C-cup, krijg ik niet dicht. Daar ontbreekt een strook stof van ruw geschat om en nabij tien centimeter.

De kleermaakster had deze afgang waarschijnlijk zien aankomen en daarom geprobeerd om mij dit gezichtsverlies te besparen door de voorbeelden en de paspoppen te showen. Niets aan te doen, het onheil was geschied. Ze haalt zwijgend haar lintmeter boven; voor mij zal ze een XXXXL op maat moeten snijden. Ik zie ze extra aandacht besteden aan het noteren van mijn borstomtrek. Ze zet onder het getal een bescheiden streepje. Een uitroepteken bestaat waarschijnlijk niet in het Bahasa Indonesia.

Het kiezen van de slendang, de sjaal die je rond je middel knoopt, laat ik wijselijk aan Saar over. In uiterste nood kan ik zelf met de hand nog altijd twee exemplaren in de lengte aan elkaar naaien.

Bali Vacation Resorts

Het bovenstaande is, zoals blijkt uit de inhoud, van de hand van Tina. Ik hoefde niet mee op deze kledinguitstap en was daar erg blij om. Na het lezen van de post en ook (en vooral) na het bekijken van de foto’s, begin ik toch te twijfelen aan het feit of mijn sarong wel goed genoeg is voor de Upacara. Misschien toch maar eens mijn maten laten nemen door de kleermaakster? Zoals Tina al schreef moet je de Balinese goden niet uitdagen. En ik doe natuurlijk alles voor de goede zaak, dat spreekt voor zich.

Geen Avatar in de badkamer!

(O.K., geplaatst door Dirk maar geschreven door Tina)
Langs de weg tussen Ubud en de Makro in Denpasar stikt het van de handelaars in stenen beelden. Stone carving geldt hier als een gerespecteerd lokaal ambacht.
Mijn Opdracht 12 – Koop twee stenen beelden voor de piëdestallen in de badkamers – lijkt dan ook een makkie. De planning is om met Dewa de chauffeur, op terugweg van mijn trip naar de Makro (kleerhangers, sticker remover, koksmutsen, vijftig stoffen servetten…) even te stoppen bij een openlucht beeldenshop in de Stone Carving Street. Daar twee esthetisch verantwoorde beelden aan te wijzen, en hopla, taak 12 volbracht.
Dichtbij de Makro passeren we een rondpunt met in het midden een fonteinachtig iets. Op de rand van de waterpartij staan een tiental beelden. Omdat de parallel tussen fontein en badkamer voor de hand ligt, vraag ik aan Dewa of hij Hindoegoden kent die gerelateerd zijn aan water, aan reiniging of aan zuiverheid. Want het is toch een goed idee om beelden te kopen die qua symboliek iets te maken hebben met een badkamer, denk ik. In Griekenland zou ik kiezen voor een marmeren Poseidon en in Rome voor een granieten Neptunus.
Dewa geeft mij een ingewikkelde uitleg over een Hindoe god – Varaha - die de aarde terugvond nadat die in de zee was gevallen. Voor de rest heeft hij geen andere suggestie voor Hindoe Watergoden. Wat magertjes maar ja, een chauffeur heeft geen proef afgelegd over de symboliek van de plaatselijke goden.
Als ik hem uitleg dat we beelden gaan zoeken voor de twee badkamers die morgen door de eerste gasten zullen ingewijd worden, stelt hij voor dat ik in de shop beelden kies die ik mooi vind en dat hij dan zal zeggen of ze wel “suitable for the bathroom” zijn.

Ubud, Bali : Romantic hotels or Accommodation

Tussen de massa’s beelden duid ik eerst een elegante danser aan.
“Wat denk je, Dewa, kan dit?”
Aziaten krijgen geen “neen” over hun lippen, dus met een verlegen glimlach en een heleboel verontschuldigende woorden legt hij me uit dat dit beeld van een danser een afbeelding is van god en “not suitable for bathroom”.
Ik wil niet te veel tijd verliezen aan getwijfel en wijs hem een soortement elegante zeemeerman aan – half man half vis – elk fijn schubje van zijn staart is prachtig uitgewerkt, de hoogte is perfect, de lichte zandsteen helemaal geassorteerd bij de okerkleurige achtergrond van de open badkamers. Kortweg ideaal.
“Is deze oké Dewa?”, vraag ik voor alle veiligheid.
Ongemakkelijk prutst hij aan de kraag van zijn kraakwitte hemd, “ This is also a god, madam, I think this is not suitable for bathroom.”
Na wat aandringen kom ik erachter dat geen enkele afbeelding van een god “suitable is for bathroom”. Hindoes zouden dat respectloos vinden. Als er iets is dat ik niet wil doen is de Balinezen met een badkamerbeeld tegen het hoofd stoten. Figuurlijk noch letterlijk.
Dewa’s info maakt Opdracht 12 ineens wel knap lastig.
Buiten de mij bekende Hindoe goden Shiva, Brahma, Krishna en Vishnu bestaat er nog een rist voor mij totaal onbekende godheden. Op de koop toe heeft Vishnu negen Avatars.
Of minder trendy : Avatara’s. Ook goden hebben blijkbaar een Second Life.
Vishnu verscheen in negen verschillende gedaanten op aarde. Als verlosser van de wereld.
Dat verhaal klinkt mij bekend in de oren.
Vishnu nam ook dikwijls de gedaante aan van een dier : een schildpad, een leeuw of een vis.
Als ik Dewa vraag om de beelden aan te wijzen die géén goden zijn, slinkt mijn keuze tot een fractie van het tentoongestelde aanbod.
Small statue in one of the romantic luxury hotels in Ubud BaliMogelijk blijven : wat abstracte torentjes en gestileerde bloemen, een angstaanjagend koppel besnorde muzikanten en gelukkig – de goden zijn mij gunstig gestemd – wat kunstige danseressen.
Alle kamers in Villa Sabandari hebben namen van dansen gekregen. Vijf Balinese dansen en een Ambonese (de roots van Saar zijn Ambonees.)
Beelden van danseressen zijn dus perfect. Ik kies twee crèmekleurige rustende danseressen die wat mij betreft schitterend tot hun recht komen in de badkamers van de Barong-kamer en de Legong-kamer.
Wat de definitieve plekken zullen worden van al die andere godsbeelden en hun Avatars weet ik niet maar als het van onze Dewa afhangt niet in Balinese badkamers.
En ik sluit mij daar respectvol bij aan.

Inzegening

A ceremony for a new car in Ubud, Bali

Op terugweg van Denpasar, na een zoektocht naar professioneel keukenmateriaal in een van de weinige professionele zaken op Bali, vroeg Wayan of ons huis al ingezegend was.
Wayan helpt ons met het inrichten van de keuken, het opstellen van menu’s, het zoeken naar betrouwbare leveranciers en andere voeding gerelateerde zaken.
Ik moest  ontkennend antwoorden.
Zelfs onze auto, die we toch al een aantal maanden hebben, is nog niet gezegend. De foto hiernaast toont de upacara voor de auto van onze buurman. De man in het wit is de priester en voor de auto liggen offers allerhande.
Veel heeft de ceremonie niet mogen baten vermits de auto door de chauffeur flink in de kreukels werd gereden en een week of 6 in de garage is geweest voor reparatie.
Het personeel verwacht van de huiseigenaar dat er een inwijdingsceremonie gebeurt. Zo niet zullen ze zich niet op hun gemak voelen in het huis en bang zijn om er te overnachten.
Het zal wel toeval zijn, maar Willy vertelde dat ze al een paar nachten voetstappen hoort in het gangetje voor haar kamer. Ze hoort ook geklop, alsof er mensen aan het werk zijn.
Het wordt tijd dat we orde op zaken stellen.  Ik heb een afspraak om de hogepriester te spreken samen met Pak Mis, de vorige kepala banjar en natuurlijk Dewa als tolk. De priester zal een goede dag bepalen voor de ‘Grand Opening’, rekening houdend met de Balinese kalender en tevens een raming maken van de kosten. We overwegen een kleine upacara zo snel mogelijk en de grote in September wanneer de kinderen op bezoek komen.

Bali Hotels & Accommodation at Ubud