Posts Tagged ‘Ambon’

Oom P.

Jean-Marie, een achterneef van Saar, belde op uit Jakarta. Hij zou de volgende dag aankomen op Bali samen met oom P.
Ik schrijf niet ‘P.’ om de anonimiteit van die oom te beschermen. Hij werd me voorgesteld als dusdanig: spreek uit [pé] dus.
Afhalen van de luchthaven was niet nodig, ze namen wel een taxi tot in Ubud.
Van oom P. had ik nog nooit gehoord. Het feit dat Jean-Marie hem ‘oom’ noemde was geen enkele garantie op welke familieband dan ook.
Zoals ik al eerder schreef vervangen de aansprekingen ‘oom’ en ‘tante’ in Indonesië gemakkelijk ‘mijnheer’ en ‘mevrouw’.
Het klinkt wat minder afstandelijk vermoed ik.

5 star hotels in Bali

Bij aankomst in Villa Sabandari bleek ‘P.’ te staan voor Petrus en was de achternaam Sabandar.
Oom P. was een zoon van Saar’s oom, Otto Nang. Hij was met andere woorden  een volle neef en geen oom.
Voor Saar dan.
Hij was geboren in Allang maar werkte nu in Sorong, Irian-Jaya.
Op zijn linkerhand een duidelijk zelf aangebrachte tatoeage met de tekst ‘ETUS’, de letters een beetje schots en scheef.

De Ambonezen hebben namelijk iets met voornamen.
Oom P. heet dus eigenlijk Petrus maar niemand noemt hem zo.
Behalve dan waarschijnlijk zijn moeder. Toen hij nog klein was en ze boos was op hem.
Dan gebruiken ze graag de volledige doopnaam, met de tweede naam er bij als het even kan.
En uitgesproken met een een lange uithaal.

’Pettroes Johanniiiiiiisssss!’

Bijvoorbeeld.

In het dagelijks leven wordt die doopnaam niet gebruikt maar afgekort of vervormd tot iets anders. In het geval van de volle neef dus ‘Etus’ of ‘Pé’.

Zo wordt Stefanus: Fanny, Louis: Ois, Javeth: Apeth, Estherlina: Etè, Juliana: Oelie enz.

En dan heb ik het nog niet over Eva die Poppy werd genoemd omdat ze als baby op een pop leek,  Saartje Naomi die Amma wordt genoemd naar haar peetmoeder en al helemaal niet over Engelien die zich Nancy laat noemen naar Nancy Sinatra omdat ze een fan is van vader Frank.

Achternamen zijn ook veelzeggend. Je kan er vaak uit opmaken van welk eiland of dorp de drager afkomstig is, met wie hij volgens de adat (gewoonterecht) wel en niet mag trouwen en hoeveel bruidsschat je dient te betalen.

Oom P. opperde dat kinderen die werden geboren aan boord van een schip op weg naar Nederland, soms werden genoemd naar dat schip.

Zo was er een Albatros op Allang zei hij.

Ik grapte ‘Albatros Sipahelut zeker?’ Omdat naast Sabandar, Huwae en Sijaranamual dit één van de weinige Ambonese achternamen is die ik ken.

Bleek het nog te kloppen ook!

Etus keek me een beetje ongelovig aan. Zo : ‘Hoe weet hij dat nou weer!?’

‘Rare jongens die Belgen…’ zag je hem denken.

Villa Sabandari: Resort and Spa in Ubud, Indonesia

Vlammend verdriet

Diepgelovige mensen hebben het makkelijk. Als ze zich aan de regels houden worden ze na hun laatste reis voor eeuwig gelukkig. Want elke godsdienst heeft wel een soort van hemel. Een beloning voor het binnen de lijntjes kleuren. Gisteren zag ik dat geloof ook een bron van wrijving kan zijn.

Tijdens de voorbereiding van de hindoecrematie staat één snikkende man tussen de lachende mannen die zich verdringen rond de witte kist op de grond. De crematieweide ligt idyllisch omgeven door palmbomen. De bovenkant van de kist wordt opgetild, het zwaar geschminkte gezicht van een jonge vrouw wordt zichtbaar. Het huilen van de man wordt heviger. Een priester besprenkelt het lijk met water en de lachende mannen stoppen bankbiljetten in gevlochten mandjes en leggen die aan de zijde van de dode. De ene man blijft ongegeneerd hard huilen terwijl de andere mannen hem straal negeren. Ik verbeeld me zelfs dat hun gelach sterker wordt. Plots knielt de man bij het lijk, grijpt de ingekaderde foto van de vrouw en baant zich een weg uit de massa. Ik blijf nog wat staan, bekijk het af- en aanlopen van vrouwen die offers overhandigen aan de priester. Fruit en in palmbladeren gewikkelde pakketjes rijst, maar ook twee dode vogels en een Samsonite reiskoffer.

Ik kwam naar de crematie samen met Willy, de nicht van Saar, die werkt in Villa Sabandari. Willy groeide op in het dorp Alang op Ambon. Op Ambon is 60% moslim en 35% protestant. Willy behoort tot de sterke protestantse gemeenschap van Alang en ook hier op Bali gaat ze elke zondag naar de protestantse kerk. De vrouw, die gecremeerd wordt was vijfentwintig jaar en haar naam was Juliana. Ze kwam uit hetzelfde dorp als Willy en was ook protestants. Ze werkte en woonde dichtbij Denpasar. De crematie vindt plaats in het dorp van haar Balinese echtgenoot.

Als een man met een vlammenwerper het lijk nadert en iedereen een paar stappen naar achteren zet, verwijder ik me en slenter terug naar de auto. Tegen onze auto leunt de huilende man. Hij houdt de foto tegen zijn borst gedrukt. Naast hem staat Willy met haar armen troostend rond de schouders van een oudere vrouw. De vrouw is de moeder van Juliana en de huilende man is haar broer. Ze zijn overtuigde protestanten en Juliana wordt nu tegen hun wil gecremeerd. De broer doet zijn verhaal in het Engels: hoe ze gisteren pas op Bali arriveerden en hebben geprobeerd om Juliana een protestantse begrafenis te geven, hoe de familie van de Balinese echtgenoot dit bot weigerde, hoe ze Juliana niet te zien kregen, hoe hij daarnet vreselijk schrok toen hij het gezicht van zijn dode zus zag, liggend op de grond, op een rieten mat tussen vreemde voorwerpen en zijzelf het onderwerp van onbegrijpelijke rituelen. Hij doet het relaas hevig snikkend. Moest hij niet zo groot en forsig zijn dan legde ik ook mijn armen rond zijn schouders.

De Balinezen die passeren bekijken moeder en broer woedend en met minachting. Je mag niet huilen op een hindoecrematie want dan verhinder je de ziel te vertrekken naar de hemel.

Op de weide laait het vuur hoog op. De Samsonite reiskoffer geeft een blauwe steekvlam.

Spa Resort Villas, Ubud Bali

Udang Diabolik.

We hadden een pak van 1 liter room in de koelkast (zie ‘De roomhistorie’) en dat stond er al een tijdje. Omdat ik Willy’s dagelijkse ‘Oom mau makan apa malam ini (Wat wil oom vanavond eten)?’ verwachtte, zocht ik daarvoor een oplossing. Stephan zou zeggen ‘Wat kan het leven toch simpel zijn’!, en dat is ook zo.
De laatste fishing trip naar Jimbaran had onder andere een halve kilo scampi’s (udang) opgeleverd. En er was bunga kol (van bunga = bloem en kol = kool). Willy zou rijst koken en ‘cap cay bunga kol’ maken. Gewokte bloemkool dus. Ik zou ‘udang diabolik’ doen, de Balinese versie van ‘scampi’s diabolique’. Dat had u goed opgemerkt.
Het resultaat van onze gecombineerde kookprestatie was lekker.
Zelfs A. was lovend en dan weet je dat je goed bent bezig geweest.
Tijdens het eten kreeg ik het flink op de heupen toen Willy, ondanks mijn vele uitspraaklessen, vroeg of we in België ook ‘seapood’ eten.
‘Hoe vaak heb ik nu al gezegd dat je een “F” in het Engels ook echt als “F” uitspreekt Willy!’ zei ik. ‘Het is “seafood”, niet “seapood”, en ja, dat eten we ook in België; we eten nu toch ook seafood? En door een Belg gemaakt volgens een Belgisch recept?’
Neen, het was ‘seapood’ wat ze bedoelde en wat we nu aten was geen ‘seapood’.
Saar legde met handen en voeten uit dat alles wat in de zee leefde ‘seafood’ was. Vis, garnalen, mosselen, kreeft, udang,… allemaal seafood.

Droom villa voor Ubud vakantie

Willy bleef herhalen dat ze dat allemaal wel wist maar dat je ook seapood kon vinden in de tuin en dat je het kon eten. Erg lekker volgens haar. Het was trouwens Bahasa Indonesia zei ze, geen Engels.
De grote stelligheid waarmee ze bij haar standpunt bleef deed me enigszins twijfelen.
Nu is Willy, zoals de meerderheid van de Ambonese vrouwen, wel een ‘kepala batu’ van het hardste soort (kepala= hoofd, batu = steen, koppigaard dus). Ze kan trouwens ook met grote stelligheid iets verdedigen wat totaal niet klopt. Maar toch, deze keer leek het anders.
‘En hoe schrijf je dat dan?’ vroeg ik.
S-I-P-U-T‘, spelde ze nadrukkelijk, al een beetje triomfantelijk.
Het woordenboek bracht raad.
‘Siput’ was ‘slak’.
Zowel zeeslak als landslak. Het was dus wel en niet ‘seafood’.
Kepala batu had dus gelijk, over de hele lijn.
Ik kroop maar weer in mijn schelp.
Siput = Snail (Blog Villa Sabandari rice field villa near Ubud)

Het begin van het einde?

Het beklimmen van de trap naar het huis van Njong Pai was moeilijk.
Vooral voor de ademhaling dan. En voor de zweetklieren.
Al bij al viel het voor de benen en de rug nog goed mee.
Het afdalen was andere koek en dat had ik niet verwacht.
Voor we het huis van Bu Minggus bereikten voelde ik een raar gevoel in mijn linkerbeen.
Of er geen kracht meer inzat.
De korte pauze tijdens het bezoekje aan de weduwe van Bu Minggus loste het probleem niet op.
Het werd alleen maar erger en ik moest me met m’n linkerhand vasthouden aan het muurtje, aan de zijkant van de trap.
In m’n rechterhand een wandelstok.
Ver voor mij zag ik Saar, Willy en nog een aantal mensen.
Niemand keek om.
Njong Pai bleef in mijn buurt en werd ongerust.
Ik ook.
Eindelijk beneden liet ik aan Saar weten dat ik een verlamd gevoel had in mijn linkerbeen.
Er was een auto besteld die ons terug zou brengen naar Latuhalat.
We stopten eerst bij het graf van Bu Minggus en daarna bij dat van Oma Tua.
De graven liggen vlak naast de weg.
Oma Tua’s graf ziet er onverzorgd uit.
Een opschietende bananenboom heeft zich door het dakje van gevlochten gras geboord dat boven het graf is gemaakt.
Het uit- en in de auto stappen kostte me veel moeite.
We namen afscheid van Njong Pai en reden door naar Ambon om daar wat te eten.
De chauffeur raadde restaurant ‘Barcelona’ aan.
Hij stopte aan de overkant van de straat.
Ik werd ondersteund om de straat over te steken. Door wie weet ik niet. Ik was teveel met mezelf bezig en met een krampachtige poging om met dat half verlamde linkerbeen het restaurant te halen.
Bij het opstappen van de stoep lag ik plots op de grond.
Mijn rechterbeen had het ook begeven en de helpers konden me niet tegenhouden.
Er werd gegild en gesleurd om me weer overeind te krijgen.
Dat lukte op één of andere manier en ik werd naar een stoel gesleept/gedragen, half strompelend.
Het was of iemand een schakelaar had overgehaald. Het ene moment stond ik nog, zei het niet erg stevig, en een tel later lag ik tegen de vlakte.
Het duurde even voor ik me realiseerde dat dit mogelijk de eerste stap geweest was in het aangekondigde verlammingsproces.
Een specialist van het Universitair Ziekenhuis in Gent heeft me in juni 2006 al laten weten dat de problemen met mijn ruggenwervels vroeg of laat kunnen/zullen leiden tot verlamming door het afknellen van het ruggenmerg tussen de lumbaalwervels L2 en L3.
“Zou dit het begin van het einde zijn?” vroeg ik aan Saar.
Ik hoopte op een relativerende opmerking maar ze keek me bedrukt aan en zei dat ze dit beangstigend vond.
We bestelden enkel te drinken en reden daarna door naar ons guesthouse in Latuhalat. Een boutique hotel kan je het met de beste wil van de wereld niet noemen.
Het was donker in de auto. Niemand heeft die paar tranen gezien.
Bij het uitstappen zakte ik weer in elkaar, ditmaal nog in de auto.
Het duurde maar even. Met behulp van een aantal sterke armen werd ik naar de kamer gebracht en op bed gelegd.
De anderen gingen eten in een hotel in Amahusu.
Ik bleef achter met mijn gedachten.
Misschien was ik alleen maar onvoorbereid en zonder conditie aan de afdaling begonnen en was het louter een spierprobleem? Vermoeidheid?
Met die gedachte raakte ik in slaap.
De volgende ochtend ging het lopen redelijk.
Een paar dagen later leek het of deze episode nooit had plaatsgehad.
Ik houd het op vermoeidheid; daar valt mee te leven.

Gestrand in Ujung Pandang

Bali rice field hotel? Don’t think so.

Willy was om 6 uur stiekem vertrokken naar Ambon.
Haar broer Bert, die ook in Latuhulat had overnacht, deed vaag over het waarom van haar vertrek.
Saar vermoedde dat ze was gaan koken en zou terugkomen met een lunch.
Dat was inderdaad zo.
Na het afrekenen vertrokken we naar de luchthaven met de auto van Bu Jonkie, een Toyota Avanza.
Njong Pai belde op tijdens de rit om te laten weten dat hij er niet zou zijn om ons uit te zwaaien omdat het regende in Allang.
In Ambon Pattimura Airport hadden we nog tijd voor een snelle lunch (nasi goreng, spiegelei, komkommer en kroepoek).
Willy leende ongegeneerd alle bestek en borden bij de coffeeshop waar we ons hadden geïnstalleerd.
Om de kerk toch enigszins in het midden te houden bestelden we dan maar 4-maal thee.
Bij het afscheid zei Willy “Oom, don’t be angry”. De Engelse vertaling van “Jangan mara”, wat ze hier altijd zeggen als je op reis vertrekt. Waarom ze dat zeggen weet ik niet; bij een volgende gelegenheid zal ik dat eens checken.
In de vertrekhal was de omroeper haast niet te horen en we moesten zelf informeren bij medereizigers of we wel goed zaten. Met een vertraging van meer dan een half uur vertrok het Lion Air vliegtuig uit Ambon naar Ujung Pandang waar we dan ook met vertraging toekwamen. De koffer moest afgehaald worden en we dienden opnieuw in the checken bij Garuda voor de vlucht naar Denpasar, Bali.
We kwamen aan de counter van Garuda om 17:12 terwijl de vlucht gepland stond voor 17:30
Het meisje achter de balie bekeek onze tickets en zei, wat twijfelend, dat de Gate gesloten was.
Ik legde uit dat we met vertraging uit Ambon waren gekomen met een Lion Air toestel en dat we beslist nog meekonden als ze een beetje op wilde schieten. Een ander kreng kwam zich met de zaak bemoeien. Ik voelde onmiddellijk dat ze bezig waren tijd te rekken om de zaak op die manier naar de bliksem te helpen.
Geen enkel argument hielp en we werden doorverwezen naar het bureau van Garuda.
Na de hele zaak nog een keer te hebben uitgelegd liet de verantwoordelijke weten dat dit niet de zaak van Garuda was, maar van Lion Air.
Wij, stilaan op kookpunt, naar het bureau van Lion Air.
Daar kregen we allerhande, halfzachte argumenten te horen:

- het reisbureau was verantwoordelijk want ze hadden maar een uur voorzien tussen de twee vluchten
- wij hadden zelf het cabinepersoneel moeten verwittigen zodat die tijdens de vlucht Garuda had kunnen bellen
- één van ons twee had alvast moeten inchecken zonder de bagage
- er worden geen passagiers omgeroepen ingeval de bagage niet is ingecheckt
- er is geen link tussen de computers van Lion Air en Garuda

Na veel aandringen kregen we iemand van de staff te spreken die met de directie de zaak ging bekijken.
Resultaat: nul komma nul. Geen enkele compensatie.
Bij Garuda boekten ze ons op de vlucht naar Bali van de volgende dag om 16:45. Dit echter niet zonder een toeslag aan te rekenen van 420.000 Rupiah omdat er alleen nog plaats was in een hogere klasse. Ze boekten wel voor ons een hotelkamer en zorgden dat we werden afgehaald op de luchthaven.
Moe en nog boos kwamen aan in het Transithotel, ongeveer 10 minuten van de luchthaven.
Kost van een VIP-room: 160.000 Rupiah, inclusief ontbijt en airporttransfer. €12,30 dat viel dus mee! Het was echter geen boutique guest house zoals je er in Ubud een heleboel hebt.
De VIP room viel inderdaad iets minder mee… Het rook er muf, de lakens en de kussenslopen waren vies, er was geen raam dus een ‘rice field view’ konden we ook op onze buik schrijven. De WC spoelde niet door, geen toiletpapier en geen warm water.
Ik troostte mezelf met de gedachte aan een frisse pint, wat eten en vroeg slapen.
Saar bestelde miesoep en water. Ik nog maar eens nasi goreng en een Bintang besar (grote fles lokaal bier).
Er werd een mannetje op uit gestuurd om het bier te gaan kopen want dat hadden ze niet in het hotel.
Die kwam na een kwartier terug met de melding dat er geen bier te koop was door de Ramadan en dat het hier een moslimland was.
Mijn stemming, die al niet bijster goed was, zakte nog een aantal punten.
Ik zei “Ik ben hier wel de gast hoor en ik ben geen moslim. Ontvangen jullie op deze manier jullie gasten?”
De beste man putte zich uit in verontschuldigingen, gaf het geld terug en verdween.
Appelsap dan maar. Potverdorie nog eens aan toe zeg!
Nu ja, slapen zou wel soelaas brengen.
In de andere kamers werd TV gekeken met de deur open zodat je gratis kon meegenieten van de gillende stemmetjes van de stripfiguren en de gevarieerde vibraties van uit allerlei lichaamsopeningen ontsnappende gassen.
Saar bleef zo lang mogelijk in de lobby, of wat daarvoor moest doorgaan, om te kunnen roken en omdat ze de geur in de kamer niet kon uitstaan.
Om een uur of 6 werd ik wakker door een vrouw die, het leek wel vlak naast mijn oor, riep “Joop! Joop! bangung! harus pulang” (Joop, Joop, opstaan, we moeten naar huis).
Ik draaide me boos om en probeerde opnieuw te slapen. Je kon immers ontbijten tot 9 uur.
Even later: luid geklop op de deur. Na wat geschreeuw van onze kant hield het op maar ging door op de andere deuren in de gang.
We waren serieus in de aap gelogeerd in dat f**king Transit Hotel!
Omdat ik toch niet meer kon slapen besloot ik dan maar op te staan en te ‘douchen”. Dat wil zeggen, koud water in een plastic emmer laten lopen en met een schepje over je heen gooien.
In was daar net mee bezig toen er weer op de deur werd geklopt.
Ik dacht “En nu is het ù$§:-( genoeg geweest!!” en trok de deur open, resten tandpasta rond mijn mond en op de borst en gekleed zoals men meestal is bij het douchen.
Eén van de hotelbedienden stond voor de deur met een dienblad waarop: twee koppen thee en 4 broodjes, verpakt in plastic: ons ontbijt.
Toen de man mij zag begon het dienblad synchroon met mij te beven. Het zal wel niet van woede geweest zijn.
Saar riep kwaad in het Maleis “we eten straks beneden!”.
Naar de grond kijkend droop de arme man af.
Het waren vriendelijke mensen die hun best deden jammer genoeg “Wrong place and time”.
We ontvluchtten het hotel rond negen uur en reden naar de luchthaven waar we om 9:15 toekwamen.
Een telefoontje naar het reisbureau in Bali leerde dat we niets konden claimen en geen klacht konden indienen.
Dit is Indonesia.
Onze vlucht is om 16:45, nog maar zeven uurtjes wachten.

Vlucht Ambon Bali, Ryan Air?

“We make people fly”!!!???
“We make people cry” zou toepasselijker zijn in hun geval.

Allang

Geen droom hotel maar een huisje op de berg

busje van het hotel In Latuhalat naar Ambon terminalAllang is het geboortedorp van de ouders van Saar en er wonen nog flink wat dichte en minder dichte verwanten.
Je wordt al snel ‘oom’ genoemd door wildvreemde mensen. Daarom is het allemaal soms wat verwarrend.
Willy Sipahelut, een achternicht van Saar, kwam ons afhalen in Latuhalat zodat we niet zelf moesten zoeken welke bemo (een klein busje) we best namen. Het werd een groene bemo met nummer 18 tot Ambon Terminal en dan een wat groter, erg lawaaierig busje tot in Allang. Kost van dit transport: verwaarloosbaar, terwijl het toch circa honderd kilometer is.
Het is echter het vervoer van de lokale bevolking en die kunnen zich geen duur transport veroorloven.
Je moet er dan wel de ‘couleur local’ bijnemen. Harde banken, propvol mensen, veel motorlawaai en uitlaatgassen, afgeleefde vering, traditionele airco (= alle

van het hotel naar Ambon
raampjes open), onderweg stoppen om vis te kopen, claxoneren voor alles wat op de weg loopt, afremmen voor spelende kinderen, honden, hanen, runderen enz., diepe putten in de weg, in eerste versnelling een berg op ratelen tegen 15km/uur, medepassagiers die gewoon buiten de auto aan het bagagerek hangen, of het de gewoonste zaak van de wereld is, en zo verder.
In Allang aangekomen wachtte een andere beproeving: de berg op klimmen tot het huis van Njong Pai, Saar’s neef en de vader van Willy.
Het eerste gedeelte bestaat uit een brede trap met hoge treden. Die trap wordt smaller en smaller en de laatste honderd meter is er geen trap meer, maar stap je van steen tot steen naar boven.  Je loopt hier niet in het rice field maar tussen de bomen en struiken.
Gelukkig had ik uit het hotel een paraplu meegenomen als steun bij het klimmen.
Saar besloot beneden aan de trap nog een sigaretje te roken zodat ik de kans kreeg een voorsprong op te bouwen.
Het zou een schande geweest zijn na de twee vrouwen boven aan te komen.
Na een dertigtal treden liep het zweet me al van de rug en zuchtte en pufte ik als een oververhitte stoomlocomotief.
Iedereen groet je dan ook nog eens vriendelijk en bekijkt je aandachtig. Je bent tenslotte wit en die kleur zie je niet zo vaak in Allang.
Na ongeveer een derde van de klim knoopten twee mannen een gesprek aan, wat me de gelegenheid gaf om, zonder al teveel gezichtsverlies,een pauze in te lassen.
Nauwelijks was ik terug vertrokken, nu op smalle trapjes tussen de huizen, of een vrouw riep, ergens achter mij “Bapak mau ke mana?” wat zoveel betekent als “Waar wil meneer naartoe?” Ze hing half uit het raam, gekleed in een nachtjapon. Of daar leek het toch op.
Hier geen droom villas zoals in Ubud of in het zuiden van Bali, maar eenvoudige huizen met golfplaten daken.
Mijn beperkte kennis van het Maleis was gelukkig groot genoeg om haar te begrijpen en ik antwoordde dat ik naar Saar’s neef op weg was: “Saya mau ke Njong Pai Sipahelut”. Ze riep iets wat ik niet begreep en kwam iets later achter me aan gehold.
Het bleek een vrouw van in de zeventig, graatmager, in een soort nachtkleed en met nog bijzonder weinig tanden in de mond. Ze begon me uitgebreid van alles te vertellen waarvan ik het meeste niet verstond. Behalve dan “pelan, pelan!” wat “traag, traag” betekent.
Hoewel ze waarschijnlijk zo traag klom als ze kon, liep ze zo van me weg. Na een aantal keer op me te hebben gewacht hield ze het voor bekeken en snelde me vooruit. Later bleek dat ze naar het huis van Njong Pai was gelopen om mijn komst aan te kondigen.
Ze had daar drieduizend (sic) keer moeten roepen voor er iemand kwam.
Bijna boven kwamen de tante en Njong Pai me tegemoet. Ik was op dat moment meer dood dan levend, volledig doorweekt en vermoeider dan ik de laatste jaren ben geweest. Bij nader inzien was dat niet zo verwonderlijk gezien ik door mijn rugproblemen de laatste tijd vooral zittend heb doorgebracht, met als gevolg een conditie beneden alle peil en een kilootje of vijftien overgewicht.
Ik was net terug op adem gekomen toen Saar en Willy het laatste klimmetje aanvatten.
Kon ik toch mooi, met een rustige ademhaling vragen: “Waar bleven jullie nou eigenlijk?”
We moesten onze natte kleren uittrekken, mandiën (met behulp van een kommetje warm water uit een teiltje over je heen gieten tot je weer lekker schoon bent), en dan een sarong aantrekken.
Het was intussen al vrij laat op de middag en we zagen het echt niet zitten om nog terug te reizen naar Latuhalat.
Er werd een tandenborstel gekocht, wat extra rijst gekookt en we bleven gewoon slapen in het huisje ‘on top of the world’.

Geen veranda van een boutiqe hotel maar van een huisje op de heuvels net buiten AllangEen van Amma's droom villas ;-)

Naar Ambon

Geen ‘Rice Field Boutique Hotel’ meer zoals op Bali …

Inchecken voor de vlucht van Bali naar Ambon

Opstaan om zes uur, uitchecken uit Puri Santrian, taxi om zeven uur en rond kwart voor acht waren we in de luchthaven van Bali.
We vlogen eerst met Garuda, de nationale luchtvaartmaatschappij van Indonesia, naar Ujung Pandang, dat nu officieel Makassar heet. Niemand schijnt echter die naam te gebruiken.
Een Boeing 737, netjes, een klein ontbijtje en een rustige vlucht. Omdat we van airline veranderden voor de aansluitende vlucht naar Ambon moesten we de bagage opnieuw inchecken in Ujung Pandang.
De maatschappij heette ‘Lion Air’. “Vast een zusterfirma van ‘Ryan Air’ met een Chinese eigenaar” grapte ik tegen Saar.
Had ik beter niet gedaan.
vlucht van Bali naar Ujung PandangDe passagiers voor andere vluchten werden keurig geïnformeerd dat “… passengers for flight GA752 with destination Manado are requested to board at Gate number 15″ of iets dergelijks.
Bij Gate 14, onze Gate, begon een man in uniform rond boarding-time gewoon keihard te roepen “AMBON!!!, AMBON!!” en iedereen stoof naar de deur.

We voelden aan dat het bij ‘Lion Air’ iets anders zou toegaan dan bij Garuda.
Het opschrift op de de stoelen scheen mijn eerder vermoeden in verband met de eigenaar van de luchtvaartmaatschappij te bevestigen.
Onwillekeurig kwam ook een opgestoken middelvinger in gedachten.
Toen Saar dan ook nog voor haar drankje moest betalen, wisten we zeker dat we op een low-budget carrier zaten.
Ze weigerde halsstarrig naar het toilet te gaan omdat er “wel een WC-madame zou zitten!”, zei ze.
De stoelen en de veiligheidsgordels hadden ook betere tijden gekend.
In de Indonesische versie van “Life vest under your seat” was een lijntje toegevoegd dat een boete vaststelde van 10 miljoen Rupiah voor het ontvreemden van de zwemvest.
Wie steelt er in godsnaam een zwemvest?
Gebeden voor een voorspoedige reis op de vlucht van Bali naar AmbonIn plaats van een k*tszakje vond ik dan ook nog een foldertje met schietgebeden voor een veilige landing in Islam-, Protestantse-, Katholieke-, Hindoe-, en Boedhistische versie.
Ondanks al deze slechte voortekenen landden we zonder problemen op ‘Pattimura’, de luchthaven van Ambon.
Onze koffer was zelfs mee en we werden aangesproken door een man die vroeg of we Saartje en Dirk waren.
Het bleek de chauffeur die geregeld was door het ‘Maluku Divers Resort’. Dit keer geen hotel in het rijstveld zoals in Ubud of een boutique accommodation zoals in Sanur, maar een eerder eenvoudig hotelletje met zicht op zee.
Hij bood aan met onze paspoorten naar de politie te gaan maar kwam na een paar minuten terug met de melding dat de politie naar huis was.
Geen controle dus. Wij zijn illegalen in de Propinsi Malukun Selatan.
Ruïne vlakbij ons hotel in LatuhalatIn geen tijd zaten we in zijn airconditioned auto en reden richting Latuhalat, een ritje van 65 kilometer rond de baai van Ambon, dat een uur zou duren.
Ambon scheen ons erg veranderd sinds ons vorige bezoek in 1996. Veel meer bromfietsen en becaks en nog hectischer verkeer.
Nog veel uitgebrande en verlaten huizen of kerken en moskeeën die werden ‘gerenoveerd’ zoals onze chauffeur het noemde.
Het leek er eerder op dat ze van de grond af terug waren opgebouwd.
Allemaal herinneringen aan de bloedige onlusten van een aantal jaar geleden.
De taxi heeft ons $25 gekost, wat wij duur vonden.
Een bemo, wat een klein busje is dat de lokale bevolking gebruikt, zou ons van Latuhalat naar Ambon ongeveer $0.75 kosten.
Je hebt dan wel geen airco en zit opeengepakt tussen medepassagiers, bagage en dieren met keiharde muziek op de achtergrond.
Maar who cares. We zijn tenslotte met vakantie.
Morgen wordt het dus bemo tot Ambon en daarna een busje naar Allang.
‘Sapannend’ zou Opa Sabandar gezegd hebben.

Reis naar Ambon

Geen ‘Rice Field View’ zoals op Bali, wel ‘Zicht op Zee’

Geen rice field view zoals op Bali, wel zicht op zee vanuit het Divers Resort in Latuhalat, Ambon
Zicht op zee vanaf Divers Resort in Latuhalat. Het resort bestaat uit twee galerijen met kamers met een gemeenschappelijke veranda vooraan.

Er is een restaurant in een vrijstaand paviljoen. Hoewel de naam wellicht anders doet vermoeden dus geen domein met boutique villas maar eerder een logement voor mensen die tijdens hun vakantie vooral willen duiken en niet zo veel belang hechten aan hun logement.

In plaats van het ‘rice field view’ in Ubud, hier zicht op zee en het geruis van de golven die breken op de branding. Naar ons werd verteld is het voor deze kust een paradijs voor duikers en worden er heel vaak zeldzame vissen gespot.

Later volgt een verslag van onze trip naar Ambon.