Posts Tagged ‘Boutique’

Hoezo Sabandari?

We zouden dus een klein guesthouse beginnen. Dan moet het kind natuurlijk ook een naam hebben. Alle kleine hotelletjes of guesthouses heten in Bali “Villa Huppeldepup” waar “Huppeldepup” te vervangen is door één of andere exotisch klinkende naam. “Villa Hibiscus”, “Villa Cempaka”, “Villa Mahayani”,…
Dan konden wij ons optrekje toch moeilijk “Huisje Weltevree” of “De Purperen Hei” gaan noemen.
Het moest ook iets Oosters en mysterieus klinkend worden.
Omwille van die eerder vermelde frangipani-boom dachten we eerst aan “Villa Frangipani”. We, lees Saar, vond dat wel leuk klinken. Ikzelf associeerde die naam eerder met een frangipanetaart. Dus niet.
Er staat ook een kruidnagelboom, aan de linkerkant zodra je de poort binnenkomt. Kruidnagel in het Maleis is “Cengkeh” en het is één van de kruiden die typisch zijn voor de Molukken. “Villa Cengkeh” dan maar? We stelden ons al voor hoe die naam zou worden vermassacreerd door de verschillende taalgroepen en stapten ook van dit idee af. Het moest dus niet alleen een naam worden met een hoog Multatuligehalte, maar ook één die door iedereen ongeveer op dezelfde manier zou worden uitgesproken.
Back to the drawing board.
“Ons huis” in het dialect van Allang is “Luma Ité”. “Villa Luma Ité”?
We vonden het wel een goed idee om een link te hebben met de Molukse roots van Saar.
Ik was nog niet echt tevreden met de naam en surfte nog maar wat verder. Nu moet je weten dat één van de bekendste en meest exclusieve hotels van Bali het “Amandari Hotel” is. Rod Stewart is er voor de x-ste keer getrouwd en Trina, één van de masseuses heeft de Beckhams, Demi Moore, David Copperfield en Jimmy Carter onder handen genomen. De stap van Amandari naar Sabandari was klein en voor de hand liggend. Voor degenen die dat niet zouden weten: Saar’s familienaam is Sabandar.
Ik vond het onmiddellijk goed en voor inspiraties met een buikgevoel moet je respect hebben.
Het klonk Oosters, was makkelijk uit te spreken én bevatte een link naar de Molukken. De klankverwantschap met het Amandari was ook mooi meegenomen. Saar vond het eerst een raar idee maar draaide snel bij. De Sabandars hebben de reputatie notoire ijdeltuiten te zijn. Op een leuke manier.
De naam “Sabandar” is al heel oud en betekent zoiets als ‘havenmeester”. Je herkent er “Shah” in wat koning of meester betekent en “Bandar” wat haven betekent in Bahasa Indonesia, Maleis en Perzisch.

Enkele historische bronnen:

“… In this disposition of mind towards us, they had come to a determination to seize our house, and to send all our people prisoners to the top of a high rock, the consent only of the sabandar being a-wanting for taking possession of our goods, though some even began to take our goods forcibly. On the arrival of the sabandar, Mr Spalding waited upon him, and remonstrated upon the unjust conduct of the islanders in taking away our goods, craving his protection. The sabandar then said, that the islanders were resolved we should not do as the Hollanders had done, and were therefore resolved to make all the English prisoners; for the ship was gone, and our intentions seemed bad towards them.”
Uit “Fourth Voyage of the English East India Company, in 1608, by Captain Alexander Sharpey

“October 1789. In the afternoon at four o’clock I went on shore and landed at a house by the river where strangers first stop and give an account who they are, whence they came, etc. From this place a Malay gentleman took me in a carriage to Sabandar, Mr. Engelhard, whose house was in the environs of the city on the side nearest the shipping. The Sabandar is the officer with whom all strangers are obliged to transact their business: at least the whole must go through his hands. With him I went to pay my respects to the governor-general who received me with great civility. I acquainted his excellency with my situation and requested my people might be taken care of and that we should be allowed to take a passage to Europe in the first ship that sailed. I likewise desired permission to sell the schooner and launch. All this his excellency told me should be granted. I then took leave and returned with the Sabandar who wrote down the particulars of my wants in order to form from them a regular petition to be presented to the council the next day. I had brought from the governor of Coupang, directed for the governor-general at Batavia, the account of my voyage and misfortune, translated into Dutch from an account that I had given to Mr. van Este. So attentive had they been at Timor to everything that related to us.”
Uit “A Voyage to the South Sea” by William Bligh, published 1792

“The 9th September, we had sight of Socatora, and passing by Tamarind [Tamridal] Bay, came to anchore in Delisha.
The one and twentieth of October we came into Swally.
After the fight on the tentieth of January, in which three Portugall ships were burnt and two frigates sunk, and timber procured for the Hopes main mast (which the Nabob caused to be done so warily that it seemed he was afraid lest the Portugals might know it) on the four and twentieth came a Jesuite with another fellow from the eroy to intreate of peace with Magribocan, who on the seven and twentieth sent the ??Viceroy one hundred and fiftie maunds meale, one hundred sheepe, twentie-five maunds conserves, with hens, etc. In the afternoone the Sabandar requested me to read a letter from the Viceroy, which signified that, whereas by the Padre hee was informed that the Nabob desitred ro make peace in his masters name and had appointed for treatrie thereof then Sabandar, Isaac Beg and Abduram (Abdurrahim) , hee also had hearkened thereto and appointed three others to that businesse, binding himselfe to performe their agreements.”
Uit “Collections taken out of the Journal of Captaine Thomas Elkington. Successour to Captaine Nicholas Downton in the voyage aforesaid written by himselfe, January 1613″

Love at first sight.

Een nieuw ‘Rice Field View Hotel’ in Ubud Bali?

We gingen op bezoek bij Gerty en Raymond, een ex-collega en haar man, die twee jaar geleden België hebben geruild voor Sanur, Indonesië.
Ze hadden ons al een grote dienst bewezen door als “mystery guests” een evaluatie te maken van “Mandala Desa”.
We brachten bij hen verslag uit van het mislukken van ons project.
Tijdens het gesprek suggereerde Gerty dat we eens moesten praten met Rudy Kerremans, een Belg die al jaren in Indonesië woont en een restaurant heeft in Ubud“Café des Artistes” .
Hij kent Bali erg goed en zou ons zeker raad geven.
Gerty had ook gehoord dat Rudy van plan was zijn huis, in de omgeving van Ubud te verkopen.
We reserveerden voor dinner in Café des Artistes de volgende avond.
Tijdens het eten sprak ik de blanke tuan (= mijnheer) aan die in het restaurant rondliep als een kapitein op zijn schip en, waar nodig, instructies gaf aan het bedienend personeel.
Ik stelde mezelf voor en vroeg hem een digestiefje met ons te drinken.
Rudy is een heel extraverte en open persoon en we hadden een leuk gesprek.
Het bleek te kloppen dat zijn huis te koop was en we maakten een afspraak om de volgende middag te gaan kijken.
Na de lunch in Café des Artistes bracht Rudy ons naar zijn huis in Peliatan, een paar minuten buiten het centrum van Ubud.
Op het einde van de hoofdstraat draai je drie kwart mee met de rotonde en dan gaat het steil omhoog over een smal, geasfalteerd weggetje.
Na het passeren van een tempel moet je links omhoog, een verhard paadje op.
Rudy parkeerde zijn 4×4 vlak voor een poort in Balinese stijl.
Het terrein is, naar Balinese gebruik, volledig ommuurd om de boze geesten buiten te houden.
We gingen de poort binnen en ik hoorde aan Saar’s reactie dat we niet verder hoefden te zoeken.
Ze deed namelijk geen enkele moeite om haar enthousiasme te verbergen.
Het uitzicht op de sawah (= het rijstveld) was fantastisch, de gebouwen smaakvol en de tuin mooi aangelegd.
Het zwembad leek naadloos over te lopen in de rijstvelden.
Rudy bleek links en rechts van het bebouwde perceel nog twee percelen in lease te hebben.
We zagen in onze verbeelding al een kleinschalig hotel met ‘rice field view’ en een huis voor onszelf op één van de aangrenzende stukken.
Na een korte rondleiding en een frisse pint was de koop gesloten. We kochten het huis en het perceel rechts ernaast. Rudy zou zelf opnieuw bouwen op zijn derde perceel. We kregen dus een Belgische buur aan de éne kant en een Balinese tempel als buur aan de andere kant.
Tijdens onze laatste week op Bali moesten we spijkers met koppen slaan: het hele zaakje juridisch correct structureren en een goede architect zoeken.
Meer hierover in een volgende bijdrage.

Onverwachte wending

Boutique hotel in de rijstvelden, tussen Ubud en Denpasar

Zicht op de rijstvelden vanuit Mandala Desa, een hotel tussen Denpasar en Ubud, BaliZelfs op het einde van het regenseizoen mag je nog flinke tropische buien verwachten. Tijdens ons verblijf in hotel ‘Mandala Desa’ werden we daar regelmatig mee geconfronteerd. Het valt dan echt met bakken uit de hemel maar de regendruppels voelen warm aan en het duurt, al bij al, niet zo gek lang. Na de bui ruikt het heerlijk, petrichor heet die geur, en is het een stukje koeler. We kregen de villa toegewezen helemaal op het einde van het terrein, met uitzicht op de rijstvelden. De eendenhoeder liet zijn diertjes ‘grazen’  in het braak liggend rijstveld waarop we uitkeken vanaf ons terras. De hoeder stuurt zijn troep door middel van signalen die hij geeft met een lange stok met vlaggetjes eraan. Tijdens de buien schuilt hij in een klein baleetje (kleine balé :-) in het midden van het rijstveld. De eenden snateren, spetteren en klepperen dat het een lieve lust is. De meeste onder hen zullen eindigen als ‘bebek betutu’ (geroosterde eend), een typisch Balinees gerecht. Ik heBebek Betutu, een typisch Balinees gerechtb het twee keer besteld in ‘The Dragonfly’, het restaurant van de eigenares van ‘Mandala Desa’ in Ubud. Het moet dus wel lekker zijn. Ik vond het een fantastisch hotelletje. Halfweg tussen de luchthaven, Denpasar, Sanur en dergelijke in het zuiden, en Ubud in het centrum van Bali. Op een half uur van, wat voor ons westerlingen, de beschaving is. Een zalige rust in ‘splendid isolation’ in één van de rustigste hostels van Bali. Die indruk had ik tenminste. Er werd natuurlijk flink gebrainstormd over de volgende stap(pen). De financiële analyse was alleszins niet inspirerend. Rijk zouden we er niet van worden, maar dat hadden we ook niet verwacht. Onze bedoeling was om rond te komen met wat de exploitatie zou opbrengen en genoeg over te houden om regelmatig eens terug te gaan naar België. Een ander minpunt was het gebrek aan privacy voor onszelf.  Er was geen stukje tuin dat afgeschermd was of kon worden voor privé gebruik bijvoorbeeld. We hadden daarom beslist te onderhandelen met de eigenaar over de verkoop van het perceel van 2000 m² dat normaal niet bij de verkoopprijs was inbegrepen. Het plan was om daar dan een privéhuis te bouwen. We sloegen dan twee vliegen in één klap: privacy voor onszelf en extra ruimte om te verhuren.
De real-estate agent zou later die middag komen om samen te onderhandelen met de eigenaar. Ik had al, op een aantal verschillende manieren, een prijs berekend die het stuk grond ons waard leek en was klaar voor de strijd.
Ik keek naar buiten en zag Saar op het terras zitten. Ze keek minutenlang voor zich uit en zag er niet goed uit. Ik vroeg haar wat er was, of ze ziek was of zo. Er kwam niet onmiddellijk antwoord . Na wat aandringen kwam het hoge woord eruit. “Ik zou hier niet gelukkig kunnen zijn,” zei ze “het is hier veel te stil en ver van alles. Als we dan geen gasten hebben zitten we hier zo alleen…” Dat was schrikken. De hele reis, alle plannen en ideeën in één klap doorgespoeld. Zo voelde het in eerste instantie aan tenminste. Achter dit soort grote beslissingen moet je met z’n tweeën staan, zonder een greintje twijfel anders wordt het niks. Dus het was niet moeilijk om het project af te voeren. We waren weer bij af.