Het jongetje op de koektrommel

Home|Blog uit Bali|Projectgeschiedenis|Het jongetje op de koektrommel

Nu toch al weer zo’n maand of twee ga ik elke zaterdag trouw naar de quiz in Ubud in het Han Snel Restaurant. Naast algemene kennisvragen zijn er ook audio-, video- en fotovragen. Ons team, mijn twee buurmannen en ik, heet ‘Cempaka’ wat frangipani(boom) betekent in het Indonesisch of in het Balinees, dat ben ik even kwijt.
De laatste sessie deden we het erg slecht. De audioronde ging over opera, de fotovragen waren vlaggen en de videoronde draaide rond Amerikaanse talkshow hosts.  Allemaal dingen waar  geen enkel lid van het Cempakateam kaas van had gegeten. We werden dan ook laatste.
De zaterdag daarvoor was het wel ons dagje. In de audioronde kregen we tien fragmenten uit Beatlesnummers te horen en moesten we de titels opschrijven. We konden alle drie zowat alle nummers haast letterlijk meezingen. De titels waren dan ook geen probleem en we scoorden 9/10.
Toen de quizmaster bekendmaakte dat het Cempakateam “… an amazing 9 out of 10!” had gescoord kreeg ik een flashback.

koektrommelHet was 1960 en ik zat in het eerste leerjaar bij mevrouw Verpooten. Ergens op het einde van het schooljaar moeten we voor het eerst een dictee hebben gehad.
De volgende dag had mevrouw Verpooten de verbeterde dictees weer bij en had die op een stapeltje voor zich op het bureau liggen.
Ze zei: ‘Er is één jongetje dat geen enkele fout heeft gemaakt in het dictee,’ en haalde toen een rond koekblik uit een lade van haar bureau.
Ze liet ons het deksel zien. Er stond een blond jongetje op. ‘…  en hij lijkt precies op dit jongetje’ ging ze verder.
Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Wat een gelukzak, geen fouten en dan lijkt hij ook nog op dat jongetje, what are the odds?’
Dat dacht ik natuurlijk niet letterlijk, ik kende toen trouwens nog geen Engels, maar dat was de strekking van mijn gedachten.
‘En wie weet er wie dat jongetje is?’ vroeg mevrouw Verpooten toen.
Iedereen keek een beetje om zich heen, afwegend wie het zou kunnen zijn.
‘Het is Dirkske Weemaes’, zei ze toen.

In een eerste opwelling wilde ik kijken waar die nou weer zat maar dat duurde maar een fractie van een seconde. Dan: ‘Ik zal het wel verkeerd gehoord hebben’. Maar neen, alle blikken, die van de lerares incluis, waren op mij gericht. Ze begon toen iets te zeggen dat ik niet eens meer hoorde, zittend op mijn wolk en met een gevoel van ongeloof, blijdschap en trots. De blikken van mijn vriendjes: verrassing, bewondering, wat afgunst misschien.

Ik moet een beetje dromerig voor me uit hebben zitten kijken want mijn teamgenoten riepen me tot de orde. De volgende vragenronde kwam eraan.

Zo helder waren de beelden, zo authentiek de gevoelens, na 50 jaar.

Onvoorstelbaar.