Posts Tagged ‘Religie’

How The Village Of Ubud Came To Be

How The Village Of Ubud Came To Be

Long, Long Ago , back in the far misty memory of time, there was an East Indian priest named Rsi Markandeya. It was in the 8th century that this priest, according to a “Lontar”  (traditional palm leaf book), set off on spiritual journey, walking across the island of Java to spread the teachings of Hinduism.

Eventually, he and his large group of followers reached the island of Bali and attempted to settle in the vicinity of Taro (a locale north of Ubud). Unluckily, they were struck down by a cholera epidemic and many perished. Rsi Markandeya led the surviving devotees back to Java, where they re-grouped and after a while made their way to Bali again, although this time their number was somewhat diminished.

Upon returning to Bali, the priest  was drawn to a place where the two branches of the river Wos converged, pulled there by the intense energy and light which emanated from this spot. Rsi Markandeya was inspired to meditate there and while doing so, received a strong message from the Gods. They told him to proceed to Mount Agung(Bali’s center of spirituality), and there he was to bury five precious metals (Panca Datu) in the ground as a foundation of power for the temple of Besakih (known in Bali as the Mother Temple).

This he and his followers did, and afterwards they returned to settle in the spiritually potent location where the two rivers joined, known as Campuhan.  There, in that mystical vortex of nature, he and his faithful followers constructed a temple and they named it Pura Gunung Lebah.

Now growing along the banks of the two rivers were many kinds of plants with marvelous healing qualities, so they christened their new home UBAD, which translated to the healing place or medicine.

Through the following centuries and continuing up to the present time, many Hindu devotees have come regularly to this special place to meditate, bathe and take some of the holy water for cleansing rituals and temple ceremonies. With the passing  of time, the name UBAD gradually evolved to the name UBUD.

(c) Written by  Debora Crowley

At Agung’s Wedding

Agung's Wedding

Koninklijke Crematie Peliatan 02/11/2010

Cremation Tower

Ik schrijf dit terwijl de Koninklijke Crematie Ceremonie van the IXde koning van Peliatan, Ida Dwagung Peliatan, volop aan de gang is.
Hij overleed op 20 Augustus, 71 jaar oud.bull
De kist ligt in een 25 meter hoge toren, gemaakt van bamboe, hout en papier, die door honderden mannen van het paleis in Peliatan naar de crematiegrond in Ubud wordt gedragen. Samen met de toren gaan ook een grote witte stier en een 3 meter grote draak mee in de stoet. De koning zal van de toren overgebracht worden in de stier voor de eigenlijke crematie. De draak, bedekt met bladgoud, transporteert de ziel van de koning naar het hiernamaals.
Het werk aan de toren is gestart op 13 september en ik hoorde van onze medewerkers dat dit de grootste crematie wordt van de afgelopen 50 jaar.
Het Hof van Peliatan is gesticht in de 17de eeuw als een tak van het paleis van Ubud en er bestaat een zekere rivaliteit tussen de twee koningshuizen. Men tracht elkaar te overtreffen in grootsheid. De crematie van de koning van Ubud, een paar jaar geleden, zou 9 miljard Rupiah hebben gekost. De crematie van vandaag moet dan ook duurder worden. Noblesse oblige.
Op een halve dag zal vandaag het gemiddelde jaarloon van 1000 mensen in rook opgaan tot meerdere eer en glorie van het koningshuis van Peliatan. Voor Belgen in het buitenland moeilijk te vatten.
Hallucinant en onverantwoord maar niets vergeleken met de 1.3 miljard dollar die zijn uitgegeven aan laag-bij-de-grondse T.V. spotjes voor de ‘Mid Term Election’ die toevallig ook vandaag plaatsvindt in de V.S.
Wat voor nuttige dingen zouden er niet kunnen gebeuren met die gigantische bedragen?
Ik ben ongetwijfeld naïef.

Villa Sabandari: Een luxueuse Bed and Breakfast in Ubud

Budi’s Beeld

wooden statue of a barong mask in one of the best yoga retreats in Ubud, Bali

Het dossier van I Made Budiarta was na een eerste sollicitatiegesprek niet erg sterk.
Hij kwam wat onzeker over en had de laatste twee jaar enkel nog gewerkt in het atelier van zijn vader. Die maakt houten beeldjes voor de verkoop in het winkeltje van zijn vrouw.
Budi’s langste werkervaring was 3 jaar in de huishouding in de privé villa van een Japanse familie. Hij had zijn ontslag gegeven omdat hij geen vrij kreeg voor de crematie van zijn grootvader.
Hij had daarentegen wel een rijbewijs, sprak redelijk Engels en, naar eigen zeggen, beter Japans. Hij beweerde ook flexibel te zijn zowel voor wat jobinhoud, als voor wat werktijden betrof. Zijn salarisverwachtingen waren redelijk.

Best Bali Hotels

We hadden al twee Made’s in dienst op dat moment maar dat was volgens hem geen probleem. We moesten hem maar Budi noemen zei hij.
Op 30 januari 2010 kwam Budi in dienst voor een proefperiode van 2 maanden.

Gisteren begon hij om 13:00 maar stond om 10 voor één in mijn bureau met een houten beeld onder zijn arm.
‘Of hij dat op de kast in de open living mocht zetten?’, vroeg hij op zijn eigen, wat bedeesde manier.
‘Aha, mooi beeld!’ zei ik, ‘en dat wil je zeker verkopen?’.
Ik dacht intussen de Balinezen zo wel een beetje door te hebben.
Niet dus.
Neen, hij wilde het niet verkopen, alleen daar zetten. En of dat goed was.
‘Ja hoor, ga je gang’, antwoordde ik,  ‘heb je dat zelf gemaakt?’  Dat bleek zo te zijn en hij had ermee deelgenomen aan een wedstrijd voor houtbewerkers. Het beeld stelt een Barongmasker voor dat iemand in zijn hand heeft. Hij speelde als kind altijd met zo’n masker en dat gaf hem de inspiratie.
Later vroeg Saar nog eens, voor alle zekerheid, wat de bedoeling was.
Het was een cadeau voor Ibu (mevrouw, moeder) en Bapak (mijnheer, vader) zei hij.
Ik denk dat die jongen hier graag werkt.

Nota voor mezelf: ga niet te veel af op je eerste indruk maar durf ook iemand een kans te geven.

Yoga classes & training in Ubud

Terug naar Afrika

Flamboyant tree in Africa

foto: Flamboyant

Een combinatie van factoren deed mij de afgelopen weken vaak, in gedachten, teruggaan naar 1977. Dat is 33 jaar geleden maar zo voelt het niet. Het lijkt nog niet zo lang geleden. Niet abnormaal wanneer je een dagje ouder wordt schijnt het, maar het verrast me toch steeds opnieuw.

Nu we een jaar in Bali zijn, vond ik het tijd worden om ons sociale zekerheidsstatuut aan te passen aan de nieuwe situatie.

Spiritual Retreats in Bali

De ‘Dienst Overzeese Sociale Zekerheid’ (DOSZ) stuurde me allerhande formulieren via e-mail die ik dan kon inscannen en terugmailen, na ze behoorlijk te hebben ingevuld welteverstaan.
Hierbij bleef het niet; dat zou te mooi en te efficiënt geweest zijn. Neen, de originelen moesten ook nog per post worden opgestuurd naar Brussel.
Een aantal weken later kreeg ik een bericht van DOSZ met de vraag of ik vroeger nog bij hen bijdragen had betaald.
Ik antwoordde ontkennend.
‘Of ik dat wel zeker wist’, vroeg een vriendelijke mevrouw per kerende mail.
‘Of ik niet ooit, misschien lang geleden, had gewerkt in het buitenland voor een NGO?’
Toen ging er een belletje rinkelen en liet ik weten dat ik, in een grijs verleden, tussen 1977 en 1979 mijn burgerdienst had gedaan in Opper-Volta, het huidige Burkina Faso in West-Afrika.
De mevrouw zei dat ik dan toch degene was die bij hen een dossier had.
Het ‘Algemeen Bestuur Ontwikkelingssamenwerking’ (ABOS) had twee jaar voor mij premies gestort bij DOSZ. Het zal wel geen vetpot zijn maar het deed toch plezier. Het verzoende me ook weer even met het functioneren van de administratie.

Yoga Holidays

En dan was er dat meisje van 15 uit Gistel die begin mei overleed aan hersenvliesontsteking.
Opnieuw een flashback.
Ditmaal naar een klein kamertje in een gebouw in de brousse van Burkina Faso. Achter een paar rieten matten, een groen ijzeren bed met een dunne metalen stang op iedere hoek en daaraan een muskietennet. Het was warm in die kamer, zelfs wanneer je geen koorts had. De zon scheen onbarmhartig op het golfplaten dak en het zuchtje wind kwam linea recta uit de Sahara en bracht geen verkoeling.
‘C’est le palud’, zei pater Boinot, die naast Professeur de Français et Latin, ook infirmier was. Palud is kort voor ‘paludisme’, malaria dus. Daar hadden wel meer van de die oude knarren (mijn collegae in de school waar ik les gaf) af en toe last van. Die woonden dan ook al tientallen jaren in Afrika.
Ik voelde me al een aantal dagen niet lekker, moe, overal pijn en wat koortsig. Nivaquinepillen nemen, veel water drinken en rusten was het advies.
Dagen heb ik daar gelegen met steeds hoger oplopende koorts, barstende hoofdpijn en pijn in spieren en gewrichten. De nonnetjes brachten me soms wat soep of rijst met saus en wat water.
De pilletjes werden op een bepaald moment vervangen door inspuitingen met Flavoquine, een ander middel tegen malaria. ‘Stilstaan!’, zei Boinot, ‘dan voel je er niks van’. Maar ik kon niet stilstaan. Ik daverde verdomme van de koorts!  En elke avond kwamen ze me roepen voor het eten. Zonder twijfel het adagium indachtig ‘Il faut manger l’Afrique, sinon l’Afrique te mange’. Ik mocht niet aan eten denken. Kon geen hap door de keel krijgen. Afrika was bezig me een kopje kleiner te maken, daar was ik zeker van.
In mijn koortsdromen zag ik mijn plaatsje, op het kerkhof van Tionkuy, naast de Franse ontwikkelingswerker, waarvan de naam me nu ontsnapt, maar die werkte in het ‘Centre Agricole Rurale’ en die jammer genoeg de windrichting verkeerd had ingeschat bij het besproeien van de gewassen met een uiterst giftig insecticide. Een houten bordje met zijn naam, geboorte- en sterfdatum erop. Dat was het.
Op een bepaald moment voelde ik me zo slecht dat het me ook helemaal niets meer kon schelen. Er was geen emotie, geen angst, alleen apathie.
Toen mijn nek begon te verkrampen en mijn hoofd wat naar achter trok en ik ook kramp in mijn onderkaak kreeg, begon Boinot toch stilaan zijn diagnose in vraag te stellen. Ik moest me dan maar aankleden en wat toiletspullen bij elkaar zoeken want ze zouden me naar de dichtstbijzijnde stad met een ziekenhuis brengen.
In een ambulance zal u denken?
Neen, in een Citroën 2pk van net na de oorlog, eigendom van de directeur van de school waar ik les gaf, le Père Nouaille-Degorce, het prototype van de missionaris compleet met witte baard, gekleed in gandoura en op sandalen.
De afstand tussen Tionkuy en Nouna was misschien 50 km maar we deden daar uren over. De weg was dan ook niet geasfalteerd maar bestond uit aangestampte, rode aarde met om de haverklap diepe putten en uitgesleten ribbels, net golfplaten, die het onmogelijk maakten om sneller dan tegen een slakkengangetje te rijden.
Nouaille was bekend om zijn herstellingen aan motoren allerhande. De meest gebruikte materialen bij die herstellingen waren elastiekjes en ijzerdraad. In mijn koortsnevels was ik steeds weer op zoek naar de volgende baobabboom (zie foto), in de verte, langs de kant van de weg. Daar zou ik naartoe moeten zien te komen als die duivelse 2pk het eindelijk zou begeven. Naar de schaduw, gewoon liggen en wachten.

Baobab tree
Na, wat een eeuwigheid leek, arriveerden we in de missiepost van Nouna. Weer een snikheet kamertje met een zelfde soort bed en een even muf ruikend muskietennet.
Boven de 40° koorts, 2 weken bijna niets gegeten en zo verward als een junk, werd me uitgelegd waar het ziekenhuis was en kreeg ik een mobylette om er naar toe te rijden.
‘L’Afrique c’est pour les costauds’.
De vriendelijke Zwitserse dokter herinner ik me, die heel snel de diagnose ‘méningite’, hersenvliesontsteking stelde, en een jonge, blanke non in het wit die me een pijnlijke injectie in de bil gaf, en dat het pijn deed wanneer ik daarna met mijn mobylette door al die verdomde putten terug reed naar de missiepost en dan liggen en proberen te slapen en die verdomde ezels met hun keihard gebalk en de metalen velg waarop de paters constant sloegen omdat ze geen kerkklok hadden en de vruchten van de flamboyant die klepperden en klepperden tot je er gek van werd en de cicaden die allemaal tegelijk begonnen te zoemen en dan weer gelijk stopten en de gecko’s die naar elkaar ‘gecko, gecko, geckooooo!’  riepen soms 5 – soms 7 – soms 10 keer en mijn hart dat met zijn koortsig gebons het dak van het muskietennet boven me ritmisch deed bewegen, en nog zoveel meer.
Airco?  Vergeet het. Een roestige ventilator, hoog aan het plafond maar die deed het niet.
Lakens die lichtrood zagen van het fijne laterietstof dat door alle hoeken en gaten de kamer binnenkwam.
En dan het langzame genezen.
De eerste nacht weer doorslapen, die eerste douche, opnieuw ‘s avonds buiten eten met de anderen, weer normaal kunnen denken en lopen. Ik was er weer.

En dan was er Vangheluwe en pater M.
Pas jaren later, tijdens een reünie met een aantal van mijn, in Europa en Canada wonende ex-leerlingen, hoorde ik dat M. zich vergreep aan de jongens van de school.
M. waarmee we haast elke avond, bij het licht van een petroleumlamp Bravolta bier dronken uit halve liter flessen en kaart speelden tot we omvielen van de slaap.
M. die 2 jaar mijn haar (dat had ik toen nog ja) knipte. Ik zat op een ijzeren stoel, met een handdoek over mijn schouders in de mangoplantage, achter onze kamers.
M. die ik wel eens hand in hand zag lopen met sommige jongens maar dat is in Afrika de gewoonste zaak van de wereld, dus daar stond ik maar niet bij stil. M. die, naar ik later hoorde, door de zijn orde naar Frankrijk werd gestuurd, toen het allemaal wat te erg werd.
M. die het, zoals Vangheluwe, blijkbaar aankon om een dubbelleven te leiden. Hij was nota bene biechtvader en raadsman van een aantal jongens op die school. Ik begrijp niet dat ik tijdens die 2 jaar niets gezien of gemerkt heb terwijl we met z’n tienen, geïsoleerd van de buitenwereld, samenleefden.
En Jef Geeraerts in Congo en de sabel van Boudewijn.

Ik droomde weer van Afrika, in het Frans, zoals toen.

Nu op Bali hoor ik weer de geluiden van de tropen en voel de warmte van de evenaarszon.
Maar we zijn 33 jaar verder en de omstandigheden zijn wat anders.
En dat is een gigantisch understatement.

Hotel Reservation

Ogoh²

Bali Hotel

Tijdens haar bezoek aan Bali was Tina redelijk gebiologeerd door het fenomeen ‘Ogoh-Ogoh’.
In de titel schrijf ik dit meervoud met een kwadraat teken; dat is normale praktijk in het Bahasa Indonesia. Een pisang is een banaan en pisang² (spreek uit pisang-pisang) zijn dus bananen. Een beetje raar maar wel logisch.
Op de avond voor ‘Nyepi’, de dag van de stilte, trekt een stoet met grote monsters op bamboe staketsels en gedragen door de dorpsjeugd, door de straten van de Balinese dorpen en steden. Op kruispunten draaien ze rondjes om de boze geesten, gepersonifieerd door de monsters, het spoor bijster te maken. Later worden die monsterbeelden dan verbrand en zo, symbolisch, vernietigd.

Yoga teacher training

De 24 uren die volgen op die rituele verbranding mag niemand op straat, mag er nergens licht branden, er is geen lawaai, er wordt niet gekookt, er vertrekken of landen op heel Bali geen vliegtuigen. De boze geesten zullen op die manier voor de gek worden gehouden. Ze zullen Bali links laten liggen want daar woont blijkbaar toch niemand. De Pecalang, de burgerwacht zeg maar, ziet scherp toe op het naleven van deze verplichtingen.
Het maken van de monsters vraagt weken van gezamenlijke inspanning. Opnieuw een activiteit die het groepsgevoel versterkt en zo mee de basis vormt van het sterke Balinese sociale weefsel.
Tina heeft de opbouw van de ‘Ogoh-Ogoh’ in verschillende fasen gefotografeerd. Van bij het eerste ruwe vlechtwerk tot en met het griezelige resultaat.
Wat lezen we nu in een lokale krant net na Tina’s vertrek?
Advertisment to send in pictures for a book about Ogoh Ogoh in Bali
Inderdaad, er bestaat een concreet plan om een boek te geven over het fenomeen ‘Ogoh²′; gestoffeerd met foto’s. Er is een wedstrijd uitgeschreven om foto’s, films en ander grafisch materiaal te gaan beoordelen en een selectie te maken voor opname in het boek. Eerste prijs Rp 5.000.000.
Hierna de foto’s die we hebben ingestuurd voor de wedstrijd.
Naar mijn bescheiden mening is het volgende ticket Amsterdam – Denpasar – Amsterdam zo goed als binnen.
Ik houd u op de hoogte.

Saraswati 02/2010

Ik schreef al eerder over Saraswati, de godin van de kennis en tevens, in de Balinese kalender, de dag waarop aan deze godin wordt geofferd. Alles staat die dag in het teken van de kennis. De kinderen gaan niet naar school in hun uniformen maar in volledige traditionele klederdracht.

Saraswati meeting at Villa Sabandari, one of the newest hotel villas in Ubud Bali

Tijdens het laatste Odalanfeest in de tempel, ontmoetten we kort de landeigenaar Cokorda Trisnu Alit en zijn gezin. De oudste zoon sprak wat Engels en ik zei aan Pak Cok, want zo noem ik hem, dat zijn zoon altijd op bezoek mocht komen om zijn ‘English Conversation’ bij te spijkeren. Was het daardoor of doet het verhaal de ronde dat er op de heuvel Gunung Sari een raar oud mannetje woont dat Engels kan spreken en niet om een anekdootje verlegen zit? Dat er daar met andere woorden op een relaxte manier ‘kennis’ kan gesprokkeld worden tot meerdere eer en glorie van de godin Saraswati?
Cokorda junior en drie van zijn vrienden kwamen onverwacht aankloppen en we hadden een leuk gesprek over een grote verscheidenheid aan onderwerpen: hun toekomstplannen, het belang van talenkennis, de houding tegenover mens, dier en natuur, het hindoeïsme, het belang van tradities en gebruiken enz., enz.
Saraswati zal tevreden hebben toegekeken.

Saraswati meeting at Villa Sabandari, one of the newest hotel villas in Ubud Bali

Ubud: Hotel Villas in Bali

Vlammend verdriet

Diepgelovige mensen hebben het makkelijk. Als ze zich aan de regels houden worden ze na hun laatste reis voor eeuwig gelukkig. Want elke godsdienst heeft wel een soort van hemel. Een beloning voor het binnen de lijntjes kleuren. Gisteren zag ik dat geloof ook een bron van wrijving kan zijn.

Tijdens de voorbereiding van de hindoecrematie staat één snikkende man tussen de lachende mannen die zich verdringen rond de witte kist op de grond. De crematieweide ligt idyllisch omgeven door palmbomen. De bovenkant van de kist wordt opgetild, het zwaar geschminkte gezicht van een jonge vrouw wordt zichtbaar. Het huilen van de man wordt heviger. Een priester besprenkelt het lijk met water en de lachende mannen stoppen bankbiljetten in gevlochten mandjes en leggen die aan de zijde van de dode. De ene man blijft ongegeneerd hard huilen terwijl de andere mannen hem straal negeren. Ik verbeeld me zelfs dat hun gelach sterker wordt. Plots knielt de man bij het lijk, grijpt de ingekaderde foto van de vrouw en baant zich een weg uit de massa. Ik blijf nog wat staan, bekijk het af- en aanlopen van vrouwen die offers overhandigen aan de priester. Fruit en in palmbladeren gewikkelde pakketjes rijst, maar ook twee dode vogels en een Samsonite reiskoffer.

Ik kwam naar de crematie samen met Willy, de nicht van Saar, die werkt in Villa Sabandari. Willy groeide op in het dorp Alang op Ambon. Op Ambon is 60% moslim en 35% protestant. Willy behoort tot de sterke protestantse gemeenschap van Alang en ook hier op Bali gaat ze elke zondag naar de protestantse kerk. De vrouw, die gecremeerd wordt was vijfentwintig jaar en haar naam was Juliana. Ze kwam uit hetzelfde dorp als Willy en was ook protestants. Ze werkte en woonde dichtbij Denpasar. De crematie vindt plaats in het dorp van haar Balinese echtgenoot.

Als een man met een vlammenwerper het lijk nadert en iedereen een paar stappen naar achteren zet, verwijder ik me en slenter terug naar de auto. Tegen onze auto leunt de huilende man. Hij houdt de foto tegen zijn borst gedrukt. Naast hem staat Willy met haar armen troostend rond de schouders van een oudere vrouw. De vrouw is de moeder van Juliana en de huilende man is haar broer. Ze zijn overtuigde protestanten en Juliana wordt nu tegen hun wil gecremeerd. De broer doet zijn verhaal in het Engels: hoe ze gisteren pas op Bali arriveerden en hebben geprobeerd om Juliana een protestantse begrafenis te geven, hoe de familie van de Balinese echtgenoot dit bot weigerde, hoe ze Juliana niet te zien kregen, hoe hij daarnet vreselijk schrok toen hij het gezicht van zijn dode zus zag, liggend op de grond, op een rieten mat tussen vreemde voorwerpen en zijzelf het onderwerp van onbegrijpelijke rituelen. Hij doet het relaas hevig snikkend. Moest hij niet zo groot en forsig zijn dan legde ik ook mijn armen rond zijn schouders.

De Balinezen die passeren bekijken moeder en broer woedend en met minachting. Je mag niet huilen op een hindoecrematie want dan verhinder je de ziel te vertrekken naar de hemel.

Op de weide laait het vuur hoog op. De Samsonite reiskoffer geeft een blauwe steekvlam.

Spa Resort Villas, Ubud Bali

Witte rook

Sommige mensen zijn gek op auto’s of geven onredelijke bedragen uit aan schoenen. Ik ben op materieel vlak geen hebberig type maar kwaliteitsvol keukengerei maakt toch iets bezitterigs in mij wakker. Dus gisteren was het een hoogdag: de horecaspullen werden geleverd. Op het keukenblok stonden vier kartonnen dozen elk zo groot dat er een breedbeeldtelevisie in zou passen.
Maar in plaats van met hightechtoestellen zaten ze vol met potten en pannen, blinkende inoxen schalen en schaaltjes, een tiendelige professionele messenset, een klopper waarmee je in een keer genoeg mayonaise klopt voor een goeddraaiende frituur, ronde en vierkanten voedingsringen, een knalgroene slazwierder, een digitale weegschaal, een groene, een blauwe en een rode snijplank (respectievelijk voor groenten, vis en vlees), taartvormen, slakommen en een pastamachine. Het uitpakken bracht mij in een Sinterklaasstemming. Een beetje euforisch zelfs.
Agung en Budhi, de twee obers, chauffeurs en afwassers van dienst, verwijderden nauwgezet de hardnekkige stickers van dat schitterend keukengerei. Het onmisbare product Sticker Remover staat momenteel nummer één op de Villa Sabandarilijst van populaire schoonmaakmiddelen. Vier sticky labels op een aardappelmesje is geen uitzondering. Alle items werden daarna gesopt, gespoeld, gedroogd en door mij in de laden en kasten opgeborgen.
Gisteravond werd beslist wie vanaf 1 maart met al dat moois aan de slag kan. De kandidaatkoks hebben hun praktijktesten achter de rug. En wij achter de kiezen. Na de noodzakelijke financiële afspraken kringelde er rond vijf uur witte rook uit de keukenschouw.
Habemus Kokkies!
Villa Sabandari kiest voor een vrouwelijke chef en een mannelijke sous-chef.
Ni Nyoman Adriani : roepnaam Koming (want de tuinman heet al Nyoman) mag de plak zwaaien in de keuken. Koming komt uit de laagste kaste. Vrouwen en mannen op Bali hebben in die kaste dezelfde naam (in dit geval Nyoman) en je herkent het geslacht aan het eerste deel. Ni voor vrouwen en I voor mannen.
Koming wordt bijgestaan door een man uit de hoogste kaste : Ida Bagus Vajrayana : roepnaam Gusday (gewoon omdat iedereen hem Gusday noemt). Hij is de neef van de priester die vandaag de Upacara (de inhuldigingsceremonie van hotel en huis) zal leiden.
Gusday was ongerust of Koming wel met hem zou willen werken. Hij als brahmaan in een ondergeschikte positie bij een vrouw uit de laagste kaste is geen evidentie. Hij was zo onzeker dat hij vanmorgen om zes uur Dirk uit bed belde om te weten of hij de job had. Dirk kon hem geruststellen.
Op 1 maart mogen Koming en Gusday de hagelwitte keuken inwijden. In de laden en kasten zullen ze juweeltjes van attributen vinden. Ik ben een tikkeltje jaloers.

Bij de kleermaakster

Op 9 februari wordt Villa Sabandari officieel ingehuldigd met een Upacara.

Een min of meer verplichte hindoeceremonie. Wie op Bali een nieuw huis betrekt hoort een Upacara te doen, anders daag je de goden uit en stort je jezelf in het ongeluk. Wat geldt voor huizen, geldt natuurlijk ook voor hotels en resorts.

Naar een Upacara ga je niet zomaar netjes gekleed, neen de richtlijnen voor de outfits zijn zeer strikt. Vergelijk het met de kledingseisen voor een ‘romantic wedding’.  Voor de vrouwen bestaat de ceremoniële kledij uit drie stuks : een wikkelrok (sarong), een lang katoenen hemd (kebaya) en een sjaal die rond het middel wordt geknoopt (selendang).

Holiday in Luxury Hotels

Sarong, kebaya en selendang: de traditionele kledij voor een tempelbezoek op Bali. Foto in winkeltje vlakbij Ubud, Centraal Bali

Mijn garderobe bevat geen enkel van deze items dus trek ik met Saar, die ook in het nieuw gestoken moet worden, naar een kleermaakster. Uit de kleding die deze vrouw zelf draagt is af te leiden dat ze niet op het punt staat om naar een Upacara te vertrekken.

kledingwinkeltje in de buurt van Ubud, Bali

Na het kiezen van de sarongstof begint pas het lastige gedeelte. Welke stijl willen we voor de kebaya? Een ronde hals, een boothals of een v-hals? Korte, driekwart of lange mouwen? De kleermaakster haalt uit de stapels ingepakte kebaya’s ontelbare voorbeelden tevoorschijn. En daarnaast wijst ze behulpzaam op de aangeklede paspoppen met variërende halsuitsnitten, halflange en iets kortere mouwen, puntige of afgeronde panden… Ondertussen druk taterend in het Bahasa Indonesia. Mij begint het al te duizelen.

Ik opper een onschuldig voorstel waar ik een paar minuten later dik spijt van krijg: ‘Laat ons gewoon wat verschillende modelletjes passen.’ Op een paspop ziet elk kledingstuk er namelijk schitterend uit. Maar uit ervaring weet ik dat die indruk verandert wanneer ik het zelf aantrek.

Mijn eerste witte kebaya (een XL !) krijg ik niet over mijn bovenarmen. Vol vertrouwen denk ik dat het komt omdat ik bezweet ben. Saar past krap in dezelfde XL.

Helemaal onderaan uit een stapel van wel twintig ingepakte kebaya’s haalt de kleermaakster voor mij een XXL boven. Het plastiek zakje waarin het zwaarwichtige model zit ritselt onheilspellend. Ik glijd zonder probleem in de eerste mouw. Ook rond mijn schouders en rug voelt het katoenen hemd comfortabel. Maar de knoopjes vooraan, ter hoogte van mij westerse C-cup, krijg ik niet dicht. Daar ontbreekt een strook stof van ruw geschat om en nabij tien centimeter.

De kleermaakster had deze afgang waarschijnlijk zien aankomen en daarom geprobeerd om mij dit gezichtsverlies te besparen door de voorbeelden en de paspoppen te showen. Niets aan te doen, het onheil was geschied. Ze haalt zwijgend haar lintmeter boven; voor mij zal ze een XXXXL op maat moeten snijden. Ik zie ze extra aandacht besteden aan het noteren van mijn borstomtrek. Ze zet onder het getal een bescheiden streepje. Een uitroepteken bestaat waarschijnlijk niet in het Bahasa Indonesia.

Het kiezen van de slendang, de sjaal die je rond je middel knoopt, laat ik wijselijk aan Saar over. In uiterste nood kan ik zelf met de hand nog altijd twee exemplaren in de lengte aan elkaar naaien.

Bali Vacation Resorts

Het bovenstaande is, zoals blijkt uit de inhoud, van de hand van Tina. Ik hoefde niet mee op deze kledinguitstap en was daar erg blij om. Na het lezen van de post en ook (en vooral) na het bekijken van de foto’s, begin ik toch te twijfelen aan het feit of mijn sarong wel goed genoeg is voor de Upacara. Misschien toch maar eens mijn maten laten nemen door de kleermaakster? Zoals Tina al schreef moet je de Balinese goden niet uitdagen. En ik doe natuurlijk alles voor de goede zaak, dat spreekt voor zich.